Dienstplicht wordt kwestie van uitzitten

In afwachting van de afschaffing van de dienstplicht volgend jaar worden steeds minder dienstplichtingen opgeroepen. Degenen die wel worden opgeroepen, zo'n tien procent van alle jonge mannen, vervelen zich te pletter. Ze hebben steeds minder te doen. De bonden pleiten ervoor alleen degenen op te roepen die zelf in dienst willen - dat zijn er ruim voldoende voor alle essentiële taken. En ze zouden maandag niet zo vroeg moeten aantreden. Kunnen ze zondagavond naar Studio Sport kijken.

Op het terrein van de Bernhard Kazerne in Amersfoort kun je een kanon afschieten. De lange wegen over het complex zijn uitgestorven, de Leopard-tanks staan ingepakt, over de stormbaan huppelt een konijntje. Hier en daar wordt een vrachtwagen gepoetst en echoën de trage slagen van een matteklopper tegen de woonblokken van de dienstplichtigen. De Vlasakkers, het kilometerslange oefenterrein voor de tanks, ligt erbij als een verlaten race-circuit.

“Een vakantiekamp”, noemt Reinout van Riel, woordvoerder van de Algemene Vereniging Nederlandse Militairen (AVNM), de kazerne. De AVNM (13.000 leden) ijvert net als de andere vakbond voor dienstplichtigen (VVDM, 7.000 leden) voor afschaffing van de opkomstplicht per 1 juli. Defensie hanteert de stelregel dat momenteel nog twee op de drie beschikbare, goedgekeurde jongens worden opgeroepen. De bonden zeggen dat dit minder dan tien procent van alle jongens in Nederland is: in totaal ruim 15.000 dienstplichtigen in 1995, en bijna 9.000 volgend jaar.

Die laatste groep is zo klein dat de AVNM en de VVDM spreken van een onrechtvaardige en frustrerende dienstplichtlast. Temeer omdat er in de kazernes door alle bezuinigingen - het defensiebudget is ten opzichte van 1989 met 23,4 procent gedaald - nog maar zo weinig te doen is dat het grootste deel van de tijd balend doorgebracht wordt. “We barsten van de viertonnerchauffeurs in Nederland”, illustreert Van Riel, “maar als je zo'n vent spreekt op de kazerne waar hij na zijn opleiding terecht is gekomen, blijkt dat hij in drie weken zo'n twintig kilometer heeft gereden. Een enorme verborgen werkloosheid.”

Het kantoortje van de AVNM staat op het terrein van de Bernhard Kazerne, die berekend is op 2.100 militairen en er momenteel 700 huisvest. Zelfs dat laatste aantal lijkt, gemeten aan het straatbeeld, aan de hoge kant. Van Riel maakt het wel mee dat een ritmeester van de tankschool jongens twee dagen per week naar huis stuurt omdat hij geen werk voor hen heeft. Begrijpelijk, vindt de AVNM-woordvoerder, maar het vergroot wel de ongelijkheid binnen die laatste lichtingen dienstplichtigen.

Om de laatste loodjes iets minder zwaar te maken, pleiten beide soldatenvakbonden, waarbij in totaal 95 procent van de dienstplichtigen is aangesloten, voor een verlating van het maandagochtendappel van acht uur naar tien uur, onder het motto 'Zondagavond in eigen bed'. Want soldaten zijn vaak zo ver van hun woonplaats gelegerd - “Welke werkgever zou zijn kantoor in Stroe neerzetten, of in Schupperkutteveen”, sneert Van Riel - dat ze zondagavond al voor het einde van Studio Sport de deur uit moeten om maandag op tijd te zijn.

Demonstraties voor verlating van het appel en een ludieke sleep in op het Binnenhof hebben echter nog niet veel opgeleverd. Staatssecretaris Gmelich Meijling stuurt een dezer dagen een brief naar de commandanten waarin staat dat het zijn wens is dat zij flexibel omgaan met het tijdstip van appel. Maar een vergelijkbare brief is een half jaar geleden ook al eens verzonden, en de meeste commandanten wijzigen slechts regels wanneer hun dat wordt opgedragen.

Gmelich Meijling begrijpt niet waarom de dienstplichtigen zo'n punt maken van de vrije zondagavond. Zoals hij in een interview met het VVDM-blad Eén op twintig van april vertelde, vond hij het vroeger wel 'iets gezelligs' hebben, zondagavond met z'n allen in de trein. Om daar de vraag op te laten volgen of de speciale militaire treinen - afgeschaft in 1967 - nog steeds reden op zondagavond.

Over die vergissing van de staatssecretaris wordt nog steeds nagegniffeld bij de Vereniging van Dienstplichtige Militairen (VVDM) in Utrecht. 'Nog 591 dagen' staat er op de ruiten van het kantoortje. De acht bestuursleden tellen af tot december 1996, wanneer de laatste dienstplichtigen afzwaaien. Zolang de dienstplicht nog bestaat, zetten ze zich in voor lastenverlichting en voor de zogenoemde Pineut Premie: een afzwaaipremie die het geleden nadeel door de dienst compenseert. Volgens berekeningen van het bureau Berenschot, dat in opdracht van AVNM en VVDM een onderzoek uitvoerde, kunnen die bedragen in de tienduizenden guldens lopen. Voor het rapport De Inkomenseffecten van de Militaire Dienstplicht (1995) maakte Berenschot een vergelijking tussen vierhonderd dienstplichtigen uit 1993 en een even grote groep die niet in dienst was geweest.

De dienstplichtigen liepen door hun wachttijd - gemiddeld zes maanden, waarin de werkloosheid relatief hoog is - en hun lage wedde en doordat zij pas na de diensttijd met een normaal startsalaris en pensioenopbouw beginnen, volgens Berenschot gemiddeld 60.000 tot 80.000 gulden schade op. Omdat er ook van relevante werkervaring nauwelijks meer sprake is, komen zij na hun diensttijd met een achterstand op de arbeidsmarkt.

Of met een smet op hun blazoen. Dat vervulling van je dienstplicht al lang geen pre meer is op het CV was al langer bekend. Maar dat het tegen iemand kan werken als hij in dienst heeft gezeten? Ernst-Jan Jongepier, secretaris van de VVDM, heeft het wel meegemaakt. “Sommige werkgevers kijken je argwanend aan als je zegt dat je in dienst bent geweest. “Waarom ben je er niet onderuit gekomen”, vragen ze. Want daaruit zou blijken dat je eigen initiatief toont. En het is natuurlijk ook zo dat je direct na je studie voor een werkgever aantrekkelijker bent dan wanneer je vervolgens anderhalf jaar niets met je studie hebt gedaan.”

De bonden vinden dat Defensie ernaar moet streven alleen de vierduizend zogenoemde essentiële functies van dienstplichtigen vervuld te krijgen. Hiervoor zou het aantal dat volgens cijfers van het ministerie bereid is om op te komen, volstaan. Aan de laatste 14.000 jongens die nog moeten opkomen is gevraagd of zij, zolang de dienstplicht nog bestaat, 'bereidwillig' zijn om op te komen. Dit bleek voor veertig procent te gelden, oftewel 5.600 man.

De PvdA, GroenLinks en de SP willen dat de opkomstplicht vervroegd, per 1 juli 1995, wordt afgeschaft. Het Kamerlid Zijlstra (PvdA) heeft tijdens het nota-overleg over de defensiebegroting op 22 mei een motie ingediend waarin hij het kabinet oproept vanaf 1 juli alleen nog dienstplichtigen op vrijwillige basis op te roepen. De motie wordt morgen in de Kamer behandeld, maar de kans dat die aangenomen wordt is klein. De VVD, D66 en het CDA zijn tegen.

Defensiewoordvoerder Van den Doel (VVD) vindt dat de plannen van Zijlstra “de chaos binnen de krijgsmacht zouden bevorderen. Het zou alleen al organisatorisch ondoenlijk zijn om ze voor het einde van de maand te verwerken. Daarnaast zijn het moreel en de motivatie van het personeel ook niet van elastiek. Ik heb het idee dat alles aan een dun draadje hangt. Stel dat er weer een bezuiniging komt, dan heb je kans dat dat knapt. En de slagvaardigheid van een krijgsmacht is toch een combinatie van factoren waar moreel en motivatie toe behoren”.

Ook D66 zal de motie-Zijlstra niet steunen, maar in de woorden van Marijn de Koning, woordvoerder defensiepersoneel, klinkt meer begrip door voor de positie van de dienstplichtigen. “Ik heb zelf een hele dag rondgelopen op een kazerne in Ede. Die jongens lagen daar maar op bed te roken, dat was afschuwelijk. Ik pleit dan ook voor een zo groot mogelijke clementie voor de laatste dienstplichtigen. Als iemand vlak voor zijn diensttijd een baan krijgt aangeboden, en hij kan dat aantonen, zou hij niet meer op hoeven te moeten komen. De eis om het maandagochtendappel te verlaten naar tien uur vind ik ook volstrekt reëel. Tegelijkertijd geloof ik de staatssecretaris wanneer hij zegt dat het een ramp zou zijn voor de krijgsmacht als de dienstplicht eerder afgeschaft werd.” Ze vraagt zich af of Zijlstra zijn motie wel handhaaft. “Hij heeft zo weinig steun.”

Maar voor Martin Zijlstra is het 'absoluut uitgesloten' dat hij zijn motie intrekt. “Als meneer Van den Doel zegt dat eerdere afschaffing van de opkomstplicht het moreel van het defensiepersoneel ondergraaft, doet hij dat op zijn gevoel. Ikzelf werk alleen op basis van cijfers. Voor de vierduizend essentiële functies die nu door dienstplichtigen vervuld worden, kun je de jongens gebruiken die volgens de staatssecretaris bereid zijn vrijwillig dienst te nemen: veertig procent van de nog op te komen dienstplichtigen, oftewel 5.600 man. Die mensen kun je strikken door ze een beroepswedde aan te bieden. Als er dan nog niet genoeg zijn kun je ze eventueel aanvullen met jongens die nu in dienst zitten en die je contractverlenging aanbiedt. Uiteindelijk ben je zo goedkoper uit, want je hoeft tienduizend mensen minder op te leiden en te onderhouden.”

Staatssecretaris Gmelich Meijling is het niet eens met Zijlstra. “Als je de opkomstplicht afschaft ben je de eerder genoemde veertig procent kwijt, want onder die voorwaarde hebben ze gezegd bereidwillig te zijn. Indien je ze toch wilt binnenhalen door ze andere salarissen te bieden, zou je ze ook voor dezelfde periode als de beroeps - twee jaar - moeten vastleggen. Daarvoor moet je weer een hele andere procedure beginnen en voordat we die hebben volbracht is het april '96.”

Naar aanleiding van de klachten van dienstplichtigen over verveling en gebrek aan werk geeft Gmelich Meijling toe dat er “best wel eens leegloop is in de defensie-organisatie. Sommige mensen zullen zich zeker nutteloos voelen. Maar als dienstplichtigen zeggen: wij hebben op een dag vier uur niets te doen, zouden ze ook kunnen bedenken dat ze die overige vier uur nog wel wat doen. Het is net als met cricket. Als ik vroeger cricket speelde, sloeg ik de eerste bal, ging uit en dacht: ja, wat ben ik hier de hele dag aan het doen? Je moest een hele tijd wachten tot je ging fielden en dan kon je weer meedoen aan het spelletje. Maar zo zit de organisatie in elkaar.” Het onderzoek van het bureau Berenschot noemt hij “een beetje gekleurd. Veel jongeren die niet in dienst gaan, zijn negen maanden bezig met het zoeken naar een baan.”

Wanneer de staatssecretaris een artikel uit Aktueel onder ogen krijgt over balende dienstplichtigen, voor de kazerne gefotografeerd in uniform en met opgeheven middelvinger, moet hij glimlachen. “Dienstplichtigen vinden het heel stoer om te zeggen dat ze allerlei nadelen ondervinden van de diensttijd. Je moet kankeren, je moet balen, want je bent een doetje als jij als dienstplichtige vindt dat je het leuk hebt. Maar er bestaat een andere kant van de medaille. Er zijn ook dienstplichtigen die bijtekenen, zoveel zelfs dat we de doelstelling van het aantal beroeps dat we jaarlijks moeten werven naar beneden hebben bijgesteld.”

Ook de werving van beroeps - die volgens Gmelich Meijling niet dommer zijn dan dienstplichtigen - verloopt naar wens. Bij de landmacht wordt iets meer dan negentig procent van de doelstelling gehaald. “Daarbij speelt toch ook een rol dat de waardering voor de krijgsmacht in Nederland is gestegen nu wij zo actief zijn bij humanitaire operaties. Vroeger was het leger iets waar men liever niet aan dacht, sterk verbonden met oorlog. Nu zien ze dat het Artsen zonder Grenzen ondersteunt, waterputten slaat in de Derde Wereld en meer dan ooit geïntegreerd is in de normale vredesmaatschappij.”