De kleiput

Een oude kleiput in de Ooij, weggedoken in een kraag van riet en wilgehout. Het oppervlak is grotendeels bedekt met gele plomp en waterlelies, waarvan het blad geregeld door de wind wordt opgetild. Tussen deze planten, op het water, broeden zwarte sterns. Hun zwart is heel intens en hun vliegen is een vorm van kunst - zelfs in geval van haast is het een dans.

De meeste vogels zitten nog op eieren, maar er zijn er ook met jongen, de oudste ruim een week. Waar een paar dagen eerder nog drie jongen waren, zijn er nu maar twee of is er nu maar één. De regen heeft zijn tol geëist, de franje is eraf. En het regent ook vandaag. Dan worden jongen door de vader of de moeder toegedekt. Ze worden warm gehouden, maar dat is niet genoeg, ze moeten ook te eten krijgen.

Dus als de regen minder wordt gaan beide oudervogels aan de slag. Ze kunnen kiezen: óf insekten (veel en voedzaam en dichtbij, maar ontzettend klein) óf regenwormen (weinig, minder voedzaam en ver weg, maar behoorlijk groot). Visjes kunnen ook, maar het schijnt een erg slecht visjesjaar te zijn; in de hele kolonie gokt alleen het mannetje van nest 1 nog op visjes en dat hoeft geen slechte gok te zijn, misschien beschikt hij over een speciale behendigheid.

En als de regen weer begint: óf de jongen onmiddellijk instoppen óf nog even doorgaan met het aanslepen van prooi.

Op leven en dood.

De evolutie kent geen rust, geen minuut.