De culturele revolutie is duur gekocht

In zijn rubriek Dezer Dagen van 30 mei verwondert J.L. Heldring zich er over dat de 'culturele revolutie' die Nederland in de jaren '66 en '67 doormaakte - de jaren van provo - zo weinig beklijvende staatkundige veranderingen heeft achtergelaten. Wat het staatsstelsel betreft is dit zo, afgezien van verschijnselen als inspraak en openbaarheid van bestuur, die het tot strikte wettelijke regelingen brachten. Ook de wet die het universitair bestuur omsmeedde en de universiteit maakte tot een gedemocratiseerd pseudo-bestuurslichaam moet hier worden genoemd. Maar overigens was het echt een culturele, geen politieke revolutie, die maatschappelijk een breuk met het verleden forceerde, een breuk die zeer in het algemeen leidde tot een mentale klimaatsverandering in informele zin en als gevolg daarvan tot een totaal andere sfeer ook in de bestuurssector.

Wie dacht in de jaren vóór '66 aan een gedoogbeleid, aan 'lekken', aan gepraat naar buiten over wat in de ministerraad werd besproken, aan gepolitiseer voor de tv, onder leiding van televisie-grootheden? Dat hoorde niet. Punt. Maar is nu schering en inslag. Vóór '66 was een wet een wet; een rond stuk wetgeving waar men zich aan te houden had, waarop gezwoegd was en waarin zekerheden waren neergelegd.

Sindsdien is een wet iets geworden waarvan men zich in de eerste plaats afvraagt of die niet gewijzigd moet worden en als men aan het wijzigen of aanpassen gaat, wordt vaak volstaan met probeersels. Werken ze, mooi. Werken ze niet naar behoren dan maken we wel weer wat nieuws. Reisregels en studiebeurzen voor studenten laten zien hoe het toegaat.

Misschien het belangrijkste politieke gevolg van de revolutie '66/'67 is geweest dat ze - eindelijk - geleid heeft tot een totale democratisering, passend op het algemeen kiesrecht van 1919; tot een definitieve ont'heer'ing van het politieke bestel. Voorbeeld: het hoogleraren-bestuur op de universiteiten werd vervangen door een bestuur waarin alle lagen van de universitaire bevolking vertegenwoordigd waren.

Formeel gezag werd in de ban gedaan. Dat merkten de burgemeesters. Hun positie devalueerde. Naast hun wettelijke taak voor de openbare orde schrompelde hun portefeuille ineen tot 'politiek niet-gevoelige taken'. De politiek gevoelige zaken gingen naar de gekozen wethouders. Het gekozen-zijn door de burgers legitimeerde hen daartoe.

Nog meer dan vroeger kreeg de politiek vat op de burgemeestersbenoemingen. De gemeenteraad werd daar zorgvuldig in gekend, terwijl daarnaast bepaalde Kamerleden ten dienste van hun partij het politieke gehalte van de burgemeesters nauwlettend volgden. Verhoudingsgewijs worden nogal wat wethouders tot burgemeester benoemd met het merkwaardige gevolg dat zij via hun benoeming de capaciteit verliezen, nodig voor de behartiging van politiek gevoelige taken.

Enerzijds liet de culturele revolutie dus een duidelijk spoor na van toegenomen politisering, anderzijds wordt vaak de klacht gehoord dat de taakvervulling van raads-, staten- en Kamerleden sterk is verambtelijkt. Zij zouden teveel drijven op ambtelijke adviezen en zelfs geneigd zijn zich aan het ambtelijk jargon te buiten te gaan.

Het staat met dit al buiten kijf dat de culturele revolutie de sfeer rond regeren en besturen sterk veranderd heeft, zoals ze trouwens ook de sfeer in heel de samenleving veranderde.

Een bijzondere reden dat in ons staatsbestel zo weinig staatkundig is veranderd ligt nog op een heel ander vlak. Allereerst ging het elan van de revolutionaire beweging uit van volkomen andere staatkundige ideeën dan die van de formele, sterk doorgeorganiseerde democratische rechtsstaat. Uitgangspunt was het idee van de volkomen vrijheid van meepraten en meebesturen voor iedereen dat steekt achter het anarchisme. De naam van Bakoenin was niet van de lucht en het is begrijpelijk dat de verschillen tussen beide bestuursstelsels zo groot en zo fundamenteel zijn, dat het ene nergens op het andere is te passen. Dat ging - en zo werd de inspraak geboren - alleen langs buitenparlementaire weg.

Het elan kwam dan wel uit de anarchistische hoek, maar het miste iets wat van elan werkelijk elan maakt: het was eigenlijk nooit helemaal serieus. Het bleef - een ander modewoord uit die tijd - ludiek. En bovendien was het geweldloos - de enige toen bestaande politieke partij die zich voluit met provo encanailleerde was de PSP - niet het normale uitgangspunt bij revoluties. Tenslotte had die revolutie maar één vaag programmapunt: het politiek holle woord vrijheid. Dat verlangen naar grotere vrijheid en het wars zijn van te veel geprogrammeer - doe maar liever wat je hand vindt om te doen; pragmatisme dus - bleef voortleven bij het in 1966 opgerichte D66. Van Duijns kabouterpartij wijst meer de ludieke kant op.

Een begrip waarvan ook brede flarden zijn blijven hangen is de tolerantie, en dan in zijn opgerekte vorm van schijn-tolerantie. Allerlei zaken worden maar op hun beloop gelaten, omdat men ze te heet vindt om aan te pakken of te heet heeft laten worden door er niet tijdig maatregelen tegen te nemen. Te weinig is ook het besef doorgedrongen dat allerlei geldende formele regels en maatregelen - destijds tot stand gekomen in rustiger dagen om normale burgers ten opzichte van de overheid een sterker positie te geven - nu op zodanige manier worden aangewend door niet bonafide medeburgers, dat mede daardoor een toestand van onveiligheid is ontstaan, die om een andere aanpak schreeuwt omdat goedwillenden er de dupe van worden.

Het is hier, rond verschijnselen als geweld, drugs, drankmisbruik, criminaliteit en vandalisme, dat we bezig zijn de narigheden te bestrijden, waartoe de culturele revolutie in niet geringe mate heeft bijgedragen. Het beetje vrijheid dat we er in de jaren '66/'67 hebben bijgekregen, blijkt duur gekocht en in veel gevallen terecht te zijn gekomen in weinig bonafide handen.