De commissaris bekent

ALSOF DE OPHEFFING van het Interregionaal rechercheteam voor Noord-Holland en Utrecht eind 1993 op zichzelf al niet opzienbarend genoeg was, betitelde een goed ingelichte politie-officier die opheffing al direct als “de ontsteking van een lange lont in een hele reeks kruitvaten”. Dat was niet te veel gezegd. De ministers van politie, Hirsch Ballin en Van Thijn, moesten het veld ruimen, er werd een parlementaire enquête ingesteld naar bijzondere opsporingsmethodes, het rommelt in menige rechtszaak.

De verzamelde politiechefs hebben nu voor een nieuwe draai gezorgd: zij bepleiten de handel in softdrugs zoveel mogelijk uit de strafwet te halen omdat deze er alleen maar voor zorgt dat de handelaars nòg rijker worden. Een unaniem advies uit deze hoek vergroot de druk op de - toch al uitgestelde - nota over het nieuwe drugsbeleid van het 'paarse' kabinet. Het is overigens een betrekkelijk vrijblijvend advies. Een pasklaar recept hebben de heren niet te bieden en zij kunnen als weinigen weten dat hun suggestie internationaal de nodige weerstanden oproept.

DE POLITIECHEFS hebben ook een bommetje laten afgaan. Bij monde van hun voorzitter, de Haagse hoofdcommissaris Brand, geven zij ronduit toe dat Nederlandse politiediensten op grote schaal partijen drugs hebben doorgelaten naar de vrije markt. Dit was bedoeld als entreekaartje tot de criminele milieus. Deze methode was bovendien de directe aanleiding voor de opheffing van het IRT Noord-Holland/Utrecht. De commissie-Wierenga vond dit in haar (deels geheime) advies aan het kabinet een onvoldoende reden. Die stellingname is nu opeens een stuk beter te begrijpen: ze deden het allemaal. Alleen wist niemand dat het zo erg was.

Hoofdcommissaris Brand zegt weinig moeite te hebben met het doorsluizen van drugs, zolang er bij de politie maar geen corruptie in het spel is. Hij gaat er aan voorbij dat het bij containers tegelijk dumpen van dit spul de geloofwaardigheid van de rechtshandhaving op onaanvaardbare wijze op het spel zet. Met veel misbaar wordt aan de dorpsstraat een coffeeshop dichtgetimmerd terwijl speciale politieteams tegelijkertijd helpen de illegale markt te overspoelen. Met een schuine blik naar de komende parlementaire hoorzittingen protesteert men in de kring van de politiechefs alvast dat het niet eerlijk is “ons gedrag van gisteren en eergisteren te meten naar de normen van vandaag”. Dat het doorlaten van ongeveer de illegale jaarvooraad aan softdrugs buitensporig is, heeft echter niets te maken met de tijdgeest.

DE OPERATIES werden toch afgedekt bij het openbaar ministerie, sputteren de politiechefs verder. Ook dat is geen sterk argument, al was het alleen omdat er twijfel is gerezen aan de kwaliteit van de rapportage van de politie aan het bevoegde gezag. In een analyse van enkele organisatorische knelpunten bij de IRT's merkten enkele deskundigen al op dat “de leiding” van de officier van justitie vaak beperkt blijft tot “het bijpraten van de teamleiders naar hen toe”. Dat de politie eens moet ophouden verstoppertje te spelen met zijn eigen, professionele verantwoordelijkheid maakt de rol van het openbaar ministerie er overigens niet beter op.

De “bekentenis” van de politiechefs zet de oorspronkelijke IRT-affaire in een ander daglicht. Nu het volle beeld zich ontvouwt, is het begrijpelijker dat de Amsterdamse “driehoek” - hoofdofficier van justitie Vrakking, burgemeester Van Thijn en hoofdcommissaris Nordholt - bezorgd was dat de drugsavonturen van het politieteam uit de hand liepen. Wat blijft is niet minder onverkwikkelijk: kinnesinne en tegenwerking bij recherche, politiechefs en openbaar ministerie. Met de rechtshandhaving als kind van de rekening.