Amsterdam verpatst kabelnet voor een habbekrats

Onder Amsterdam zit een schat, die niet minder waard is dan een gasbel. Het bedrijfsleven heeft ook ontdekt, want een speciaal Nederlands-Amerikaans consortium (Philips en US West) wil het ondergrondse juweel kopen voor 700 miljoen gulden.

Toch is het de vraag of dit bedrag voor het hoofdstedelijke kabeltelevisienet niet veel te gering is. Dit netwerk heeft de grootste dichtheid van aansluitingen van alle vergelijkbare kabelnetten in de wereld. Huis aan huis zijn de bewoners, samen met die van Zaandam, Purmerend, Landsmeer en Ouder Amstel aangesloten op de KTA, de Amsterdamse kabeltelevisie: bijna een half miljoen aansluitingen. Mensen die tezamen een prachtige markt vormen voor het grote aanbod van nieuwe diensten die zich via het kabelnet aandienen. Dat zijn niet alleen assortimenten van spelletjes, cursussen, maar ook interessante informatievoorzieningen zoals Internet.

De grootste attractie op dit gebied vormt echter spraaktelefonie. Dat is dan: via de kabeltelevisie naar elkaar kijken en met elkaar praten. Een mogelijkheid die via een nieuwe wet, die voortvloeit uit een Europese richtlijn, binnenkort in het parlement zal worden aangenomen en vanaf 1998 het monopolie van de PTT doorbreekt. Alleen al dit plaatselijk telefoonverkeer levert nu zo'n 500 à 800 miljoen per jaar op. Dus heeft het consortium, dat zich speciaal voor deze deal A 2000 noemt, goed gerekend. Binnen een paar jaar is de investering terugverdiend en daarna kan A 2000 zich net zo gelukkig voelen met zijn ondergrondse infrastructuur als de Staat der Nederlanden met Slochteren.

Als wethouder voor de lokale media heb ik in 1975 de gemeenteraad voorgesteld om de gemeente zelf de aanleg van een kabeltelevisienet ter hand te laten nemen. Zonder te wachten op particuliere ondernemingen, die elders in het land al concessies hadden gekregen voor de ontwikkeling van zo'n net. Het leek me van belang dat de gemeente zelf eigenaar van zo'n strategisch goed zou worden, dat niet alleen zoveel commerciële toepassingsmogelijkheden bood, maar bovendien de toegang zou gaan vormen voor intensieve communicatie op de schaal van Amsterdam en zijn omgeving.

VVD, CDA en D66 voelden er niet voor; de stad zou zich maar hals over kop in technische en financiële gevaren storten. Maar de PvdA-fractievoorzitter Matteman rook een kans. Hij wees erop dat er lang geleden, in de tijd van de beroemde wethouder Treub - die de kabels van een Amerikaanse telefoonfirma had genaast voor Amsterdam - al een Amsterdamse Plaatselijke Telefoondienst had bestaan. Door nu de zaak direct in gemeentehand te nemen, aldus Matteman, verschaft de gemeente zich voor de toekomst die mogelijkheden. Zo begonnen we. We braken de stoepen open en legden, meter voor meter, de schat aan.

Het merkwaardige is dat nu het tegenovergestelde dreigt te gebeuren van wat links in '75 voor zich zag. Wethouder De Grave ontpopt zich als een ware anti-Treub, die de telefoonkabels in de schoot geworpen heeft gekregen en (in plaats van die te benutten voor een eigen, lokale dienstverlening) het hele systeem verpatst - voor een bedrag dat momenteel wat lijkt, maar over een paar jaar een habbekrats zal blijken te zijn geweest. Overigens is het financiële aanbod op een schuldenvrije basis gedaan, hetgeen met zich brengt dat de gemeente Amsterdam na aftrek van allerlei verrekeningen nog maar 400 miljoen gulden overhoudt.

Het argument om de kabels uit handen te geven luidt, dat de gemeente niet bij machte is zelf voor de exploitatie zorg te dragen. Maar is de gemeente werkelijk zo machteloos en gedoemd tot klungeligheid als de VVD het wil doen voorkomen? Zou de gemeente niet in staat zijn de nodige experts te huren, om zelf de vele nieuwe mogelijkheden uit deze doos te toveren? Natuurlijk wel.

Zelfs als men dit idee te zeer in strijd acht met de heersende mode van de privatisering, dan nòg zou men kunnen volstaan met het verhuren van een aantal kanalen van de kabels, zonder het eigendom over het geheel op te geven. Dat brengt geld op en verhoogt de dienstverlening, zonder verlies van zeggenschap. Vergelijk het met het erfpachtsysteem van de grond, dat Amsterdam ook al geen windeieren legt. Maar met dit positieve verschil, dat de stad zelf de macht over de communicatiekanalen onder democratische controle houdt.

Gelukkig zijn er ook deze keer lastige Amsterdamse burgers in het spel. De heer Sala, uitgever van een serie computerbladen en telecommunicatie-deskundige, heeft handtekeningen ingeleverd om een referendum over de kwestie aan te vragen. Inderdaad leent deze zaak zich daarvoor bijzonder goed, want alle zeggenschap ligt bij de gemeente, terwijl vrijwel alle Amsterdammers bij de verkoop betrokken zijn.

Maar De Grave heeft de schrik van het vorige referendum nog in de benen en verklaart dat over deze aangelegenheid geen referendum mogelijk is, aangezien de zaak spoedeisend is. Als we de tijd zouden nemen voor een referendum, zou A 2000 zich schielijk terugtrekken en zou de gemeente naar het geld kunnen fluiten.

Zou het echt waar zijn dat er, terwijl de technologie en het dienstenaanbod zich razendsnel ontwikkelen, over een jaar geen belangstelling meer is voor het Amsterdamse kabelnet? Integendeel. Hoe langer men wacht, hoe meer gespecialiseerde bedrijven hun opwachting zullen maken en hoe hoger de waarde van de kabels zal stijgen.

Zelden heeft Amsterdam zulke getalenteerde wethouders gehad als De Grave, maar zijn zakelijk inzicht reikt in deze kwestie helaas niet verder dan de eerste de beste geopende portemonnee. Een referendum over de stadsprovincie, waarover Amsterdam uiteindelijk niet zelf beslissen mag, wèl toestaan, maar een referendum over een zuiver Amsterdamse zaak nìet toestaan: dat schept een rechtsongelijkheid die noch de burgers, noch de rechter over hun kant zullen laten gaan.