'Werkloze allochtoon tot scholing verplichten'

VENLO, 10 JUNI. Langdurig werkloze allochtonen kunnen alleen aan een baan worden geholpen als zij verplicht worden de Nederlandse taal te leren en een beroepsopleiding te volgen. Wie dat weigert, dient zijn uitkering te verliezen.

Dat concludeert de voormalige vice-voorzitter van de Limburgse Werkgevers Vereniging A.W. Lentz op grond van een onderzoek dat hij in opdracht van de beide Limburgse Regionale Bureaus voor de Arbeidsvoorziening en het bestuur van de provincie Limburg heeft gehouden. Lentz, die directeur Sociale Zaken bij Océ-Nederland is geweest, bezocht daarvoor 120 bedrijven en 55 gemeenten in Limburg.

Dat er weinig terecht komt van de afspraak om een evenredig deel van de allochtonen aan het werk te krijgen, ligt volgens Lentz meer aan de allochtonen zelf dan aan de werkgevers. Hoewel volgens hem kleinere bedrijven soms helemaal geen allochtone werknemers in dienst willen nemen of sollicitatiebrieven met moeilijke namen automatisch opzij leggen. Daar staat, zo constateert Lentz, echter tegenover dat de meeste bedrijven die positief willen discrimineren, geen behoorlijk gekwalificeerde kandidaten kunnen vinden.

De directeur van het RBA Zuid-Limburg, drs. H. Duijvenstein, distantieerde zich gisteren, toen hij het rapport van Lentz in ontvangst nam, van de conclusie dat er een opleidingsplicht voor allochtonen moet komen. Volgens hem werpt het huidige systeem van opleidingen goede vruchten af als er stevige afspraken worden gemaakt met degenen die een opleiding volgen: “Op die manier brengt zeventig procent de opleiding tot een goed einde, wat bijna altijd beloond wordt met een vaste baan.”

Volgens onderzoeker Lentz echter, is er bijna geen ongeschoold werk meer en ontbreekt voor het volgen van een bedrijfsopleiding bij allochtonen veelal de motivatie en elementaire kennis, zoals die van de Nederlandse taal. Volgens hem speelt daarbij ook nog het verschil in culturele opvattingen een rol: “In de bouw en de gezondheidszorg, de sectoren waar de meeste vacatures zijn, is het bijna onmogelijk allochtonen voor een baan te interesseren. De mannen vinden werk in de bouw minderwaardig, en vrouwen willen om religieuze redenen niet het risico lopen dat zij mannen moeten verplegen.” Lentz vindt dat er druk moet worden uitgeoefend op allochtonenorganisaties om dergelijke culturele obstakels uit de weg te ruimen.