Voor technologie 1,5 miljard extra

DEN HAAG, 10 JUNI. Het kabinet investeert de komende vier jaar in totaal ruim 1,5 miljard gulden in de verbetering van de technologische basis van de Nederlandse economie. Het grootste deel van dit bedrag (ruim 1,1 miljard gulden) wordt gestoken in fiscale faciliteiten. De nota 'Kennis in beweging', waarin de ministers Wijers (economische zaken) en Ritzen (onderwijs, cultuur en wetenschappen) hun beleid met betrekking tot kennis en technologie uiteenzetten, is gisteren door de ministerraad goedgekeurd.

Volgens Wijers en Ritzen kan een ontwikkeld land als Nederland niet louter op kosten concurreren, maar moet het zich onderscheiden door de kwaliteit van zijn produkten en produktieprocessen. De beide bewindslieden willen dat Nederland zich in kennis kan meten met de beste landen in de wereld. Om dat doel te bereiken moeten industrie-, technologie-, onderwijs- en wetenschapsbeleid elkaar versterken. Daartoe nemen de ministeries van OC&W en EZ “nieuwe gezamenlijke beleidsinitiatieven”.

Om weer tot de top van de wereld te behoren zal er in kennis geïnvesteerd moeten worden, menen Wijers en Ritzen. De totale uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling nemen in Nederland sinds 1987 relatief af. Daardoor zijn de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling procentueel op een niveau gekomen dat ruim onder het gemiddelde van de 25 rijkste westerse landen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) ligt. Tegenover elke gulden die in Nederland aan onderzoek en ontwikkeling wordt uitgegeven, staat nu gemiddeld meer dan 1,60 gulden in de OESO-landen. Zou Nederland dat gemiddelde alsnog willen halen, dan zou er jaarlijks ongeveer 2,5 miljard gulden extra moeten worden genvesteerd in onderzoek en ontwikkeling. De laatste jaren is Nederland zelfs onder het gemiddelde van de Europese Unie beland, schrijven Wijers en Ritzen. Om de achterstand in kennis en technologie op Japan en Duitsland in te lopen zou ruim 5 miljard gulden per jaar extra moeten worden geïnvesteerd.

Pag.21: Bedrijfsleven brengt bulk kosten op van kennisinjectie

Het merendeel van deze middelen zal moeten worden opgebracht door het bedrijfsleven. Onder meer door lastenverlichting, fiscale faciliteiten en beleidsintensiveringen schept de overheid hiervoor ruimte. Om een deel van de achterstand in te lopen wil het kabinet in 1996 voor 280 miljoen gulden fiscale faciliteiten aan het bedrijfsleven geven. Zo wordt het budget voor de Wet Bevordering Speur en Ontwikkelingswerk (WBSO) met 100 miljoen gulden verhoogd. Dit wordt gefinancierd uit de lastenverlichting van 500 miljoen gulden die het kabinet in het regeerakkoord voor het midden- en kleinbedrijf heeft uitgetrokken. Verder wordt het afschrijvingsregime voor naar Nederland verplaatste innovatieve technologie versoepelt (50 miljoen). Het leerlingwezen krijgt eveneens een fiscale tegemoetkoming. Naast deze fiscale maatregelen vindt voor 25 miljoen gulden aan beleidsintensiveringen plaats. Zo wordt volgend jaar 10 miljoen gulden uitgetrokken voor de opening van een eerste technologisch topinstituut en komt er een innovatiefonds voor het beroepsonderwijs (5 miljoen gulden).

Het kabinet zal op een beperkt aantal, specifieke thema's van potentieel internationale allure zogenaamde technologische topinstituten realiseren, zoals die in België bestaan. Het centrum voor microelektronica in Leuven bijvoorbeeld doet veel onderzoek voor bedrijven uit Nederland (waaronder Philips). Wijers en Ritzen willen dit soort onderzoek naar Nederland halen. Bedrijven kunnen hun fundamenteel strategische onderzoeksvragen aan deze topinstituten uitbesteden. Hoeveel van deze topinstituten er komen, vermeldt de nota niet. Minister Wijers heeft al eens het aantal van vijf genoemd. De overheid stelt hiervoor structureel een bedrag van 55 miljoen gulden beschikbaar. In 1996 gaat het eerste Technologisch Topinstituut van start.