Springsport ontbeert paard met gouden randje

BLARICUM, 10 JUNI. Hij startte als tiende van de 41 springruiters en hij zette met Amor een tijd neer die niemand zou verbeteren in de eerste wedstrijd om het Nederlands kampioenschap. Maar Wout-Jan van der Schans kon zijn overwinning relativeren. “Vorig jaar begon ik ook met een goede tweede plaats in de eerste wedstrijd en toen kwam ik uiteindelijk toch niet voor de medailles in aanmerking.”

De resultaten in de Nederlandse springsport worden meer dan ooit bepaald door de vorm van de dag. Een echte favoriet ontbreekt. “De Nederlandse springsport is terug op het niveau van 1988”, constateerde bondscoach Hans Horn. “Toen hadden we met Olympic Treffer, Olympic Sunrise en Felix nette en betrouwbare paarden in het olympische team van Seoel. Maar we hadden geen wereldtoppers. Die hadden we wel in 1991 en 1992, toen Nederland goud won op het EK en bij de Olympische Spelen. Ik hoop dat die paarden van wereldklasse er volgend jaar in Atlanta ook weer zullen zijn. Maar dat moet dan wel komen van jonge dieren, die zich zeer voorspoedig ontwikkelen. Dat beetje extra wat Egano, Ratina en Top Gun van respectievelijk Lansink, Raymakers en Tops hadden, is hier in Blaricum nog niet onmiddellijk voorhanden.”

Het probleem dat Horn signaleert is geen typisch Nederlands probleem. Vrijwel alle Europese landen hebben moeite om de prestaties in de springsport te continueren, met uitzondering van Duitsland en misschien van Zwitserland. “De Franse bondscoach Patrick Caron klaagde er vorige week in Hickstead nog over dat zijn beste ruiters Robert en Navet geen toppaard hebben. En dan spreek je met Frankrijk over een land waar de paardenfokkerij vele malen groter is dan hier”, zegt Horn veelbetekenend.

De terugval is in elk geval niet te wijten aan de kwaliteit van de ruiters. In Europa zijn waarschijnlijk wel dertig topruiters die zelf over vaardigheden beschikken om een Grote Prijs te kunnen winnen. Maar springpaarden van uitzonderlijke klasse, paarden die geregeld in een seizoen de concurrentie de baas zijn, die staan misschien slechts bij vier of vijf ruiters op stal. Soms raken paarden met een gouden randje geblesseerd en ze verdwijnen daardoor naar de achtergrond. Horn heeft met Egano een aarig voorbeeld. Het paard was door een langdurige blessure twee jaar uit de sport. De geblesseerde pees is dankzij een intensieve zwemtherapie in Engeland volledig hersteld. Egano is conditioneel ook weer in orde, maar Horn gelooft niet meer in een terugkeer van zijn wonderdier. “Dat paard is in de kracht van zijn leven, tussen zijn twaalfde en veertiende jaar, uit de topsport geweest. Daardoor is het paard mentaal zó veranderd, dat ik niet geloof dat hij ooit de instelling voor topsport nog zal kunnen opbrengen. Hij heeft de speciale vechtlust niet meer. Iemand die op zijn 40ste stopt met werken, heeft op zijn 55ste ook niet meer de noodzakelijke mentaliteit.”

Soms raken toppaarden door verkoop voor de Nederlandse sport verloren, zoals Ratina. Het verkopen van paarden die van groot belang zijn voor een team, wordt soms voorkomen door de stichting Nederlands Olympiade Paard (NOP). De stichting moet bevorderen dat toppaarden in Nederlandse handen blijven. Het NOP biedt eigenaren van talenten een vergoeding van duizend gulden per maand voor trainings- en verzorgingskosten en de stichting heeft in de meeste gevallen een soort verzekering voor arbeidsongeschikten afgesloten voor het betreffende paard.

Het NOP heeft momenteel acht paarden onder contract, zeven dressuurpaarden. Op advies van Horn zijn daar geen springpaarden bij. “Het blijkt in de praktijk zo moeilijk om tijdig aan te wijzen welk uitzonderlijk talent zou moeten worden gecontracteerd, dat het geld in het verleden vaak bij de mensen terecht kwam die niets of nauwelijks iets konden betekenen voor teamprestaties.” In plaats van het vastleggen van paarden kwam Horn met een voorstel om teamprestaties in landenwedstrijden aan het eind van het seizoen financieel te belonen. Er is nu honderdduizend gulden beschikbaar. Dit bedrag wordt aan het eind van het seizoen verdeeld.

Prestaties in landenwedstrijden zijn essentieel voor het internationale aanzien van een land. Dankzij goede resultaten krijgen ruiter en paard eerder een uitnodiging voor concoursen. Ook daarom wil Horn het rijden van landenwedstrijden voor ruiters financieel aantrekkelijker maken. “Vorig jaar won een Nederlandse equipe de landenwedstrijden van Falsterbö in Zweden en Drammen in Noorwegen. Het ene team heeft net vijfhonderd gulden over kunnen houden, het andere team heeft geld toe moeten geven. Op die manier krijg ik natuurlijk geen ruiter meer die naar die wedstrijden gaat, als ze weten dat tegelijkertijd in Nederland het CSIO Geesteren gehouden wordt met goede prijzengelden.”