Psycholoog Frans Duintjer over zelfmoord bij jongeren; Meer jongens plegen zelfmoord, maar meisjes doen vaker een poging

Jongeren die met zelfmoordplannen rondlopen zijn vaak depressief. Maar dat uit zich lang niet altijd in slapeloosheid, desinteresse of eetproblemen. Ook geagiteerd, agressief of opstandig gedrag kan op depressiviteit wijzen. Een gesprek met psycholoog Duintjer over opvoeden, permanente ontevredenheid en de vicieuze cirkel naar zelfmoord. “Hoe meer opbeurende woorden, des te somberder die persoon wordt”.

Kinderen die ongelukkig zijn en depressief, roepen meer emoties op dan sombere volwassenen. Een congres over jongeren en suïcide dit voorjaar trok zoveel belangstellenden dat de vergaderzaal met achthonderd mensen met gemak twee keer gevuld had kunnen worden. Het is heel schokkend als jonge mensen de hand aan zichzelf slaan, zegt psycholoog Frans Duintjer, één van de sprekers. Het worden er alleen ieder jaar minder. Bovendien is “het aantal volwassenen dat zichzelf om het leven brengt vele malen groter dan het aantal jongeren.” Duintjer werkt sinds 1982 bij de afdeling jeugdzorg van het Riagg Centrum/Oud-West in Amsterdam. Hij houdt zich vooral bezig met jongeren tussen 16 en 23 jaar en de gezinnen waartoe ze behoren.

Rond 1980 was er een piek in het aantal suïcides, met name tussen de 25 en 40 jaar, maar sinds 1983/1984 wordt het aantal sterfgevallen door zelfdoding elk jaar wat minder. In 1993 stierven er 1555 mensen door zelfdoding - bijna 20 procent minder dan in 1983. Elk jaar sterven er 150 jongeren, van wie 100 tussen de 20 en 25, en 50 in de leeftijd tussen 12 en 20. En dat aantal neemt af. Daar zijn geen duidelijke verklaringen voor, zegt Duintjer. “Misschien heeft het preventieve werk van René Diekstra (Leids hoogleraar psychologie; red.) zijn vruchten afgeworpen, je weet maar nooit.”

Verklaringen voor plotselinge stijgingen van zelfdodingen zijn er altijd genoeg. Economieën die teruglopen, een hoge werkloosheid, een sterk geïndividualiseerde maatschappij (Zweden) of, zoals in Japan, een zware druk op jongeren om te presteren. Waarom is er dan geen verklaring als het aantal suïcides afneemt? De ontzuiling en het wegvallen van sociale verbanden is doorgegaan en de werkloosheid is ook niet echt opgelost. Maar mensen passen zich aan, zegt Duintjer. “Op het moment dat vaste gegevens en waarden verschuiven, leidt dat tot verhoging van het suïcidecijfer. Daarna zoeken mensen een nieuwe stabiliteit. Het is opvallend dat de grote piek in het aantal zelfdodingen plaatsvond bij de generatie die kort na de oorlog opgroeide, de tijd waarin de mensen geloofden in de mythe van de onbegrensde mogelijkheden. Jongeren van nu zijn veel pragmatischer ingesteld dan jongeren van tien, twintig jaar geleden. Dat is ook een manier om te overleven en de moeilijkheden het hoofd te bieden. Ze calculeren anders en beter. Op school stemmen ze hun inspanningen in eerste instantie af op het cijfer dat ze moeten halen.” Er is wel een nieuwe groep die het moeilijk heeft of het moeilijk gaat krijgen. “Dat zijn de buitenlandse jongeren van de tweede generatie die tussen twee culturen, die van hun ouders en die van de westerse maatschappij, terechtkomen.”

Een aanzienlijk deel van de jongeren die zichzelf doden zijn psychotisch. Een sterke samenhang tussen depressiviteit en suïcidaliteit is er altijd geweest. Duintjer: “Maar je kunt niet zeggen dat iedereen die suïcidaal is ook depressief is. En ook niet dat iemand die depressief is, automatisch suïcidaal is. Depressie bij jongeren en adolescenten is toch iets anders dan bij volwassenen. Bij een depressie hoort volgens de klassieke omschrijving verlies van interesse, eetlust, slaapproblemen enzovoort, maar depressieve jongeren en adolescenten kunnen ook een geagiteerde indruk maken. Ze kunnen dus treurig zijn, maar ook druk, opstandig, bravouregedrag vertonen.”

Of een mens met depressiviteit geboren wordt, is niet te zeggen. “Er zou een biologische dispositie kunnen zijn om het te ontwikkelen, maar we weten niet hoe het precies in elkaar zit. Bij jongeren moet je altijd kijken naar de opvoedingssituatie en hun ontwikkelingsfase, omdat hun gedrag daar mede door bepaald wordt. Ze moeten leren omgaan met hun eigen gevoelsleven, met teleurstellingen, ze moeten leren omgaan met grotere zelfstandigheid en verantwoordelijkheden. Ook hun omgeving moet dat leren; dat maakt elke ouder van kinderen in de puberteit mee.”

Hoe omschrijft u depressiviteit?

“Ik kijk naar hoe iemand omgaat met teleurstellingen, met z'n omgeving en met zichzelf. Depressiviteit heeft te maken met ontevredenheid, iemand die depressief is, is meestal ook ontevreden. Je kunt ontevreden zijn over het contact met je ouders, over hoe je eruit ziet, over je vrienden, over school, je werk, over jezelf. Je geeft dan aan dat iemand het zelf in de hand heeft om iets te veranderen.”

Ik kan me voorstellen dat dat heel ontmoedigend is.

“Nee, waarom? Iemand die depressief is, is geneigd in zichzelf te keren, zichzelf verwijten te maken, alle ellende aan zichzelf toe te schrijven. Maar dat helpt je niet erg om eruit te komen.”

Maar als iemand ontevreden is over de slechte verhouding met zijn ouders, of als iemand zichzelf lelijk vindt, kan een buitenstaander aan dat soort constateringen niet veel veranderen.

“Maar dat moet je onder ogen zien. Het is winst als je er op die manier over kunt praten. Een van de klassieke patronen is dat iemand steeds maar zegt: ik voel me down, het leven is niks. Dat lokt uit dat anderen opbeurende woorden gaan spreken: het valt wel mee, de zon schijnt, kijk toch eens goed om je heen. Die twee mensen komen met elkaar in een wankel evenwicht terecht. In dit patroon zal elke depressieve uiting bij de omgeving meer opbeurende woorden oproepen en hoe meer opbeurende woorden, des te somberder die persoon wordt. Zo gaat het heel erg vaak.”

Als je depressiviteit definieert als ontevredenheid, zegt Duintjer, maakt dat die verstikkende patronen zichtbaar. “Hoe laat je aan anderen merken dat je ontevreden over iets bent? En doe je dat op een constructieve manier, of is het een herhaling van steeds dezelfde zetten? Depressiviteit is, net als suïcidaliteit, een vorm van communicatie.”

Ontevredenheid heeft een negatieve bijklank. Moet een mens niet leren leven met wat hij heeft en er het beste van maken?

“Dat lijkt me nogal calvinistisch. Ik vind helemaal niet dat ontevredenheid eigenlijk niet zou mogen. Een mens hoeft niet per se tevreden te zijn. Ik zeg ook niet tegen jongeren dat ze tevreden moeten zijn, ik ga op zoek naar waar ze ontevreden over zijn.”

De boodschap van veel ouders is: wees dankbaar voor wat wij allemaal voor je doen. Je zou blij moeten zijn.

“Maar dan loop je elkaar mis. Want het kan waar zijn, maar dat voelen jongeren niet altijd en dat willen ze niet altijd horen. Dat betekent dat jongeren altijd een trapje lager staan.”

Is dat niet een gegeven dat jongeren een trapje lager staan dan volwassenen? Kun je zeggen dat dat een kernprobleem bij jongeren is?

“Ja, in de adolescentie vindt het gevecht plaats dat je niet altijd een trapje lager staat, maar een eigen plaats wilt vinden. Helm Stierlin, een Duitse psychiater die in Amerika werkte, heeft daar een mooie term voor geïntroduceerd. Ouders beschikken over wat hij noemt 'a stronger reality'. Dat is een natuurlijk en zelfs een noodzakelijk fenomeen voor als kinderen klein zijn. Dan moeten de ouders wel bepalen hoe kinderen zich moeten gedragen, wat ze eten en zo. Maar tijdens de adolescentie krijgen kinderen meer ideeën over hun eigen reality, over hoe zij zichzelf en de wereld zien en wat zij van het leven willen maken. Dan ontstaat het gevecht tussen ouders en kinderen wie de 'strongste reality' heeft, en wie bepaalt wat werkelijk nuttig en nodig is. Zo gaat het ook met gevoelens. Als kinderen heel klein zijn, interpreteren de ouders de gevoelens van de kinderen, zoals verdriet, angst, honger. Als kinderen opgroeien moeten ze leren om hun eigen gevoelens te interpreteren en er adequaat mee om te gaan. Die interpretaties hoeven niet altijd met elkaar te stroken. Jongeren zijn dan niet boos, zoals hun ouders zeggen. Zij zeggen zelf dat ze verdrietig zijn of ontevreden. Zeggen die ouders dat ze niet ontevreden mogen zijn omdat ze dankbaar moeten zijn, dan moet het kind iets verzinnen om uit dat dilemma te raken.”

Moeten kinderen dus maar zo snel mogelijk het huis uitgaan, om de vrijheid te hebben hun eigen gevoelens te interpreteren. Dan hoeven ze zich niet voortdurend te verweren tegen spookbeelden?

“Het zijn geen spookbeelden, het gaat om een gevecht tussen de generaties. Het hoort nu eenmaal bij de taak van ouders dat ze geleidelijk aan het idee opgeven dat zij de reality van hun kinderen kunnen en moeten bepalen. Zoals kinderen moeten leren dat ze zich niet alleen maar moeten afzetten tegen de reality van hun ouders. Het lijkt ook in therapieën vaak te gaan om de vraag wat waar is en wie gelijk heeft. Maar in feite gaat het om de vraag wie er bepaalt wat waar is of niet waar. Dat is niet per se een strijd om de macht, het gaat veel verder: het is een strijd om wederzijdse erkenning. En erkenning als persoon, als ouder of als kind is voor een mens wat water is voor een plant.”

Dat soort aanpassingen en acceptaties hebben veel te maken met de manier waarop je bent opgevoed. Reageert een anti-autoritair opgevoed kind uit de jaren '60 anders op zo'n proces dan een kind dat veel hiërarchischer is opgevoed?

“Je kunt niet zonder meer zeggen dat het makkelijker is geworden. Kinderen die nu bij de Riagg komen zijn in de jaren zeventig geboren. Tien jaar geleden waren de jaren-zestig-kinderen niet zoveel anders.”

Toch opvallend bij die scherpe veranderingen in opvoedingssystemen.

“Maar dat zijn mega-verschuivingen, terwijl de processen waar wij het hier over hebben microverschijnselen zijn die zich afspelen binnen het gezin. Maatschappelijke ontwikkelingen hebben daar wel invloed op, kinderen gaan anders om met hun ouders dan tien jaar geleden, ze praten anders over hun ouders, ze blijven langer thuis. Maar de strijd om erkenning is door de eeuwen heen hetzelfde gebleven.”

Kinderen die bij een Riagg komen hebben ernstige problemen, maar Duintjer voegt er meteen aan toe dat het met de meeste jongeren goed gaat. “Wij zien maar een heel klein deel van de jongeren en ik wil me echt uitspreken tégen de sombere opmerkingen die je vaak hoort dat het slecht zou gaan met de jongeren. Dat is niet zo, ook uit recent onderzoek naar het welbevinden van jongeren blijkt dat het merendeel zich oké voelt, het goed met z'n ouders kan vinden en een redelijk perspectief voor de toekomst heeft.”

Somberheid en depressiviteit bij jongeren is van alle tijden, zegt Duintjer. En er is verschil tussen jongens en meisjes. “Jongens suïcideren zich meer, maar meisjes doen vaker een poging en hebben meer depressieve klachten. De zakelijke verklaring is dat jongens doortastender optreden dan meisjes. Als ze besluiten dat ze een eind aan hun leven willen maken kiezen ze voor een methode die eerder fataal is. Maar je kunt die verschillen tussen jongens en meisjes ook toeschrijven aan het maatschappelijke beeld dat jongens flink moeten zijn en niet moeten klagen of zeuren. Als man hoor je niet depressief te zijn, dat is niet mannelijk. Je bent een watje als je bij een Riagg komt en dat maakt jongens sneller geïsoleerd in hun sombere gedachten.”

Jongens uiten zich niet in dagboeken, dat is ook niet mannelijk. De wat intellectuelere jongens schrijven verhalen en gedichten. Maar over het algemeen uiten jongens hun depressiviteit eerder door bravouregedrag, door veel drinken, drugsgebruik. Gewelddadig gedrag kan ook een uiting zijn, en pesten. Meisjes uiten het makkelijker omdat het bij hen eerder geaccepteerd wordt. “In de rubriek Achterwerk van de VPRO-gids staat bijna elke week wel zo'n sombere brief, meestal van een meisje.”

Werkt zoiets aanstekelijk?

“Ja, dat zie je ook bij Achterwerk, de mensen reageren op elkaar. Dat aanstekelijke is bij adolescenten een vrij sterk fenomeen. Ze zoeken naar mensen met wie ze zich kunnen identificeren. Als er niet zo iemand in de buurt is, als de gevechten met hun ouders zich alleen afspelen op het niveau van 'ik zeg dat het zo is en dan is het zo', dan gaan ze op zoek naar anderen. Als ze iemand tegenkomen die ook zo eenzaam is werkt dat aanstekelijk. En ze hebben idolen die ze dan nadoen, zoals Werther van Goethe vroeger of Kurt Cobain van Nirvana nu.

“Als zelfdoding of dreiging met zelfdoding in het geding is, staan de emoties heel gauw op scherp en schieten mensen in een bepaalde rol. De een wordt kwaad, een ander bevoogdend of beschermend, een derde wordt paniekerig of juist apathisch. Dat zie je in een gezin waar zoiets gebeurt ook vaak gebeuren.”

Volgens de kinderboekenschrijfster Miep Diekmann zijn kinderen in deze maatschappij principieel ondergeschikt - dat versterkt hun problemen. Heeft ze daar gelijk in?

“Ik weet het niet. Je kunt niet zeggen dat kinderen daarom zelfmoord willen plegen. Het zal opgaan voor een enkeling en voor kinderen die van god en iedereen verlaten zijn en niemand hebben die zich om hen bekommert. Waar moeten ze dan nog voor leven? En dan nog zijn er persoonlijke verschillen: de een wordt vechtlustig en de ander laat het er bij zitten.”

Dat hangt af van je instelling, zegt hij. “Depressiviteit hoort bij het leven. Iedereen heeft het, natuurlijk niet altijd in ernstige mate, maar we kennen allemaal die gevoelens. Het is een natuurlijke reactie op verlies en teleurstelling. Maar als het blijft voortduren, gaat het je leven bepalen. Misschien moet je soms vaststellen dat iemand behept is met een bepaalde gevoeligheid zodat hij anders reageert dan andere mensen.”

Accepteren jongeren dat?

“Dat is soms zwaar, vooral omdat die grenzen ook zo vaag zijn en je niet weet of iets van voorbijgaande aard is of blijvend. Je kunt niet zeggen dat het wel overgaat, want je moet mensen geen valse hoop geven of tegen hun mogelijkheden in dingen laten doen die ze toch niet kunnen.”

Komt het wel eens voor dat iemand dan zegt: als het zo moet blijven, hoef ik niet meer te leven?

“Natuurlijk komt het voor, net als bij een lichamelijke handicap die mensen niet kunnen of willen accepteren. Het is ook een handicap als je geregeld in de war raakt of als je niet die dingen kunt doen die je graag wilt.”

Bij jongeren hoop je dat hun leven goed verloopt. Hebt u ook extra veel medelijden met ze als ze het moeilijk hebben?

“Nee, het gekke is dat ik eerder het omgekeerde heb, omdat jongeren nog zoveel meer veerkracht hebben en mogelijkheden om de problemen te overwinnen. Hun klachten zijn vaak hanteerbaarder dan die van volwassenen. Dat is ook het leuke aan dit werk. Het merendeel komt binnen een redelijke tijd, een half jaar, hooguit een jaar, eroverheen.”

Maar soms gaat het niet goed en pleegt een jongere zelfmoord. Als dat gebeurt, vindt u dat dan erger dan als een volwassene een eind aan z'n leven maakt?

“Ja, als je dat zo zou kunnen zeggen, ja.”

Omdat zo'n jongere minder kans heeft gehad?

“Ja, hoe moeilijk de problemen ook zijn waarin je terecht kunt komen in je adolescentie, je hebt de rest van je leven om zelf op te bouwen en zelf te kiezen voor de dingen die je wilt. Daarom is het extra tragisch als een jongere het gevoel heeft dat zijn leven is afgelopen. Hij was nog helemaal niet toegekomen aan het opbouwen van iets. Als een volwassene besluit dat z'n leven is afgelopen kan hij terugkijken en vaststellen dat hij dit heeft gedaan en dat en dat het nu wel mooi is geweest. Dat kan een jongere niet, die heeft de kans nog niet gehad om zijn eigen leven te maken. En dat is tragisch.”