Persoonlijke misdaadverhalen

FRANK BOVENKERK: La Bella Bettien. Het levensverhaal van een Nederlandse go-between voor de Colombiaanse drugskartels zoals verteld aan Frank Bovenkerk

232 blz., geïll., Meulenhoff 1995, ƒ 34,90

PETRUS VAN DUYNE: Het Spook en de Dreiging van de Georganiseerde Misdaad

216 blz., Sdu 1995, ƒ 49,50

Colombiaanse cocaïnehandelaren proberen via Rotterdam en Schiphol vaste voet in Europa te krijgen, Turkse families beheersen de heroïnehandel van Koerdistan tot de Noordzee, Nederlandse BTW-ontduikers benadelen Europa voor honderden miljoenen en de hasjhandel is bijna een Hollands instituut geworden. Dit criminele landschap wordt geschilderd in Het Spook en de Dreiging van de Georganiseerde Misdaad van de Haagse justitiemedewerker Petrus van Duyne.

Van Duyne analyseerde tientallen dossiers van spraakmakende strafzaken en sprak met officieren van justitie en rechercheurs. Hij zet zich af tegen de retoriek waarin de georganiseerde misdaad wordt opgeklopt tot een maatschappij bedreigend fenomeen. “Daargelaten of de mafia of de georganiseerde misdaad in een aantal opzichten op de verschrikkelijke sneeuwman lijken”, schrijft hij, speelt het dreigingsbeeld van de georganiseerde misdaad voornamelijk in op “het nimmer bevredigde grote politiële verlangen naar meer mankracht en meer bevoegdheden”.

Wie Spookbeeld leest krijgt de indruk dat boeven zich vooral door hun eigen geblunder achter de tralies weten te manoeuvreren. Zo leidde misplaatste zuinigheid bij de aankoop van hasjschepen tot vermijdbare motorpech en onoordeelkundige behandeling van grondstoffen voor de bereiding van synthetische drugs tot “een kleine milieuramp”, en zo meer. Van Duyne geeft vele aardige voorbeelden van fouten en stommiteiten van criminelen. Zijn hang naar 'aardigheden' gaat echter soms wat ver.

De Haagse onderzoeker heeft ervoor gekozen om zoveel mogelijk te verhullen “in de aankleding van de personen en in de weergave van de zaken met behoud van de kern”. Zodoende wordt zijn boek bevolkt door namen als: 'Leonard Loskop', 'Bonkbrein', 'Paardehoef' en 'Jim van Zoolen'. Van Duyne noemt een Nederlandse dame wier “kernvaardigheid” op het menselijke vlak lag 'Emmeke Zeventael'. “Niet alleen sprak zij vele talen, wat haar voor de handelaren waardevol maakte, zij kende ook erg veel mensen (waaronder de top van de Pereira- en Cali-kartels en de mafia) en was voor velen gemakkelijk aanspreekbaar.”

Bettien

De Utrechtse criminoloog Frank Bovenkerk betitelt Van Duynes gebruik van pseudoniemen als 'ongein'. In La Bella Bettien. Het levensverhaal van een Nederlandse go-between voor de Colombiaanse drugskartels zoals verteld aan Frank Bovenkerk doet hij verslag van de 'ongelooflijke carrière' van Bettien Martens (de Emmeke Zeventael van Van Duyne). Het verhaal van 'een gewoon meisje uit een Hollands doorsnee gezin' dat in de cokehandel terechtkwam.

Bettien werd in 1951 in Haarlem geboren. Op foto's oogt de jonge Bettien weinig indrukwekkend, maar volgens haar moeder en zussen 'durfde ze alles'. Haar ondernemingszin bracht haar begin jaren tachtig in het Spaanse Marbella. Daar kwam ze in contact met cocaïne en met Colombianen. Martens probeerde in opdracht van cocaïnehandelaren 'handelslijnen' op te zetten in Nederland en Italië. In Nederland had zij contact met onder anderen wijlen drugshandelaar Klaas Bruinsma, in Italië met een aantal mafiosi. Bovenkerk omschrijft haar als 'een makelaar in betrekkingen'.

In september 1992 werd Martens samen met topfiguren uit Colombiaanse drugskartels en de Italiaanse mafia in Rome aangehouden. Haar arrestatie maakte deel uit van de politie-actie 'Operatie Green Ice' die door Amerikanen werd geleid en tot doel had een internationaal netwerk van cocaïnesmokkelaars en witwassers te ontmantelen. Geconfronteerd met het tegen haar verzamelde bewijsmateriaal stemde zij toe met Justitie samen te werken en werd 'pentita'. Op grond van haar getuigenissen werden tientallen mensen veroordeeld.

Bovenkerk gaat ervan uit dat zijn informante 'betrouwbaar' is, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de criminele informant van Parool-journalist Bart Middelburg. Ook de informant die NRC-Handelsbladjournalisten Haenen en Buddingh' gebruikten voor hun boek De Danser moet het ontgelden. De bron voor Haenen en Buddingh', ene Stotijn, zou niet alleen onbetrouwbaar zijn, maar zou ook niet zo belangrijk zijn geweest in het criminele milieu. Bettien blijkt volgens Bovenkerk nog nooit van Stotijn te hebben gehoord. Dus, suggereert hij, kan Stotijn geen belangrijke crimineel zijn geweest. Wat hij niet schijnt te weten, is dat Stotijn jaren vóór Bettien actief is geweest in de cocaïnehandel.

Wat heeft Bettien over de Nederlandse misdaad te vertellen? Over de in 1991 voor de deur van het Hilton in Amsterdam doodgeschoten Bruinsma zegt ze: “De enige echte groep die ik kon vinden was die van Klaas Bruinsma. (...) Verder was er een belangrijke figuur in Vianen, er zaten een paar grote jongens in Eindhoven, in Venlo zat wat en in Heerlen een man die een boksschool had in België en met wie Bruinsma werkte, en Maastricht was zo'n beetje in handen van Turken.” Tot meer details over het Nederlandse criminele milieu komt Bettien helaas niet.

Details

Voor een overzicht van de georganiseerde misdaad in Nederland moet de lezer te rade gaan bij Van Duyne. Helaas staat de vaagheid waarvoor Van Duyne kiest - hoe interessant de gevallen die hij beschrijft op zichzelf zijn - een goed beeld van de georganiseerde misdaad in de weg. Wie zich van iets een goed beeld wil vormen heeft nu eenmaal details nodig. Details zijn te checken. Kloppen te veel details niet, dan klopt het geheel niet.

Bovenkerk levert de elementen aan waarmee de lezer aan de betrouwbaarheid van Bettien kan twijfelen, Van Duyne interpreteert op zijn eigenzinnige wijze een aantal zaken. De lezer kan die interpretatie beamen of betwijfelen, maar niet beoordelen. Wie zicht wil houden op het criminele landschap van Nederland kan niet om beide boeken heen, maar het blijven toch vooral persoonlijke documenten.