Peace-feelers

Winston Churchill wilde het woord peace-feeler niet horen, zijn haren gingen er van overeind staan als iemand het in zijn omgeving gebruikte en de continentale boodschappers die het via de 'Zwitserse weg' in een verzegelde envelop aan hem overbrachten, ontkwamen ternauwernood aan zijn hoon en zijn teerkwast (tar and feathers).

Peace-feeler was een van de verachtelijkste woorden in Churchills vocabulaire. In de eerste plaats wantrouwde hij elk Duits vredesinitiatief omdat hij ervan overtuigd was dat Himmlers geheime dienst erachter zat, in de tweede plaats ondermijnde het denkbeeld van een 'negotiated peace' het geallieerde uitgangspunt van 'onvoorwaardelijke overgave'. En in de derde plaats kon hij zich tegenover de Russen geen fratsen veroorloven. Stalin zou de geringste Britse belangstelling voor een vredesaanbod van dissidenten uitleggen als een verzwakking van de geallieerde bereidheid om de Duitsers tegen elke prijs op de knieën te krijgen.

Engeland had in november 1939 leergeld betaald met 'peace-feelers' (in het zogenoemde Venlo-incident, waarbij Duitse officieren onder het voorwendsel van een informeel vredesaanbod twee Britse officieren in Venlo kidnapten en gevangen namen). Churchill had alle vredesboodschappers sindsdien zonder pardon de deur gewezen. Eden kreeg de schriftelijke instructie elke 'feeler', uit welke bron ook, dood te zwijgen. Na de pijnlijke afgang bij Duinkerken had Churchill beloofd: 'We will fight the Germans to the last ditch' en niets zou hem afbrengen van zijn hoofddoelstelling: de vernietiging van het Duitse militarisme.

Op die combinatie van Britse argwaan en onverzettelijke strategie liep ook de missie van de onverdachte Geneefse kerkman dr. W. Visser 't Hooft (eerst YMCA, later Wereldraad van Kerken) stuk. De Nederlandse kerkdiplomaat fungeerde als postbode van de Duitse anti-nazi-oppositie, die de aanslag op Hitler voorbereidde, maar hij werd op dezelfde 'koude schouder' onthaald die het Foreign Office voor de Duitsers in petto had. Het memorandum dat hij in Londen overhandigde, met de klemmende aanbeveling de Duitsers die het geschreven hadden au sérieux te nemen, kwam uiteindelijk wel bij Eden en Churchill terecht, maar als hij het direct naar de prullenmand had gebracht zou het resultaat niet kleiner zijn geweest. De Nederlandse minister-president in ballingschap Gerbrandy, die het stuk ook onder ogen kreeg, liet zich vrijwel woordelijk door zijn Britse bondgenoten (en gastheren) leiden: “De regering is van mening dat zulke Duitse démarches zo al niet op instigatie van de Duitse geheime dienst toch niet zonder diens medeweten geschieden. Er wordt dus van Engelse zijde niet op ingegaan.”

Voor de kritiek die Visser 't Hooft later op die compromisloze geallieerde hardheid heeft geuit is wel wat te zeggen. Enige morele steun van de Geallieerden was wel het minste dat de Duitse oppositie verdiende en Churchill was zelfs niet bereid één bemoedigend woord over zijn lippen te laten komen. Maar zou een bemoedigend woord uit geallieerde kokers voor de kansen van de Putschisten in Berlijn werkelijk wat uitgemaakt hebben? De Geallieerden waren zeker niet onverschillig voor de (in Londen nauwkeurig bekende) omverwerpingsplannen waaraan de oppositie in Berlijn werkte. Hoe eerder het Hitler-regime uit de weg werd geruimd, hoe eerder de oorlog kon zijn afgelopen en hoe meer mensenlevens gespaard zouden blijven. Churchill was ook niet blind voor het democratisch gehalte van een deel van de Duitse oppositie, in het bijzonder van figuren als Helmuth James von Moltke en Adam Von Trott zu Solz, die in Engeland over talrijke invloedrijke vrienden beschikten. Trott, die in Oxford had gestudeerd en in zijn taal niet van een Oxford-Engelsman was te onderscheiden, was een in-fatsoenlijke, democratische en bovenal pro-Engelse Duitser.

Maar de oppositie tegen Hitler herbergde ook rare kostgangers. Kolonel Wilhelm Staehle, een van de gezworen vijanden van Hitler, bijvoorbeeld was bij vooraanstaande Nederlandse illegalen, met wie hij contact had (zoals Van Heuven Goedhart), bepaald populair, maar hij was een samenzweerder met een militaire denkwijze en dito prioriteiten. Onvoorwaardelijke capitulatie van de Duitse legers kwam in zijn gedachten niet voor, en hij had zich bovendien een Duitse bezetting van Nederland gedacht, waarin de Nederlanders in al hun politieke rechten en vrijheden zouden worden hersteld en hij voorlopig (!) zelf de hoogste militaire autoriteit zou zijn. Staehle dacht in feite aan een andere Duitse Militärverwaltung boven een Nederlandse Zivilverwaltung. Het was dus geen wonder dat Churchills scepsis meer door figuren als Staehle werd bepaald dan door Trott en Moltke.

Von Trott zu Solz - die voor zijn aandeel in de mislukte aanslag van 20 juli 1944 zou worden geëxecuteerd - had ook talrijke Nederlandse vrienden. Hij had vooral banden met vooraanstaande Nederlandse protestanten, die in de jaren dertig in contact stonden met de Bekennende Kirche en met cultureel-politieke en oecumenische kopstukken van de Kreisauer Kreis. Aangezien die Nederlanders tot de hogere ambtelijke kringen behoorden (zoals de latere socialist dr. C.L. Patijn, de latere minister, en ambassadeur dr. J.H. van Royen en de latere directeur-generaal mr. H.J. Reinink) en allemaal in enigerlei verbinding stonden met Trotts vriend Visser 't Hooft, ontbrak het de dissidente Duitsers niet aan Nederlandse aanbevelingen. Die hielpen hem echter niet, omdat Churchill geen 'goede Duitsers' in zijn strategie kon gebruiken.

In de literatuur over de Duitse 'vredesproefballonnen' is de argwaan van Churchill tot dusver hoofdzakelijk uit het Venlo-incident verklaard. De Britse auteur Tom Bower heeft daar een andere bron voor gevonden, namelijk de waarschuwingen van een Duitse spion, die ook bij ons bekendheid heeft genoten: Wolfgang zu Putlitz. Deze voormalige attaché van de Duitse legatie in Den Haag, die kort voor het uitbreken van de oorlog naar Londen vluchtte en zich daar bij de Britse inlichtingendienst aanmeldde (om na de oorlog zijn diensten aan de DDR aan te bieden), was volgens Bower de grote kracht achter het doodzwijgen van Trott en de zijnen. De Britse geheime dienst stelde alle kompassen op Putlitz af en “ontkende tot het einde van de oorlog het bestaan van goede Duitsers” (Tom Bower: The Perfect Spy, London 1995).