Oorlogsbeelden boeien meer dan ooggetuigenverslagen

Les moissons de fer. Zondag, Ned.3, 21.17-23.01u.

Eén van de dingen die de Joegoslavische burgeroorlog voor de rest van Europa zo exotisch en moeilijk te begrijpen maken, is dat buiten de Balkan nog maar hoogst zelden écht enthousiasme voor het instituut oorlog voorkomt. Die afkeer heeft veel van doen met de miljoenenslachting in de Eerste Wereldoorlog - die in 1914 met zoveel enthousiasme begon, en eindigde in bitterheid en teleurgestelde verwachtingen bij winnaars en verliezers. Niets, zo werd in 1918 in Frankrijk en Duitsland al gauw duidelijk, zou meer hetzelfde zijn als voor 1914, maar de verandering was niet ten goede. Het bloedoffer was om niets geweest.

De Frans-Britse documentaire Les moissons de fer poogt aan het verhaal van wat in Frankrijk nog steeds 'De Grote Oorlog' genoemd wordt, een menselijke dimensie te geven. Voor wat het filmen van ooggetuigenverslagen betreft is dat nog net op tijd: wie in '14-'18 een kind was, is nu een hoogbejaarde op de rand van het graf. In de eerste helft van de film spelen deze bejaarden een belangrijke rol, als het verhaal wordt verteld van een Frans stadje aan de rivier de Somme dat aan het begin van de oorlog al door de Duitsers werd veroverd en voor jaren in een Duitse bezettingszone kwam te liggen. In de tweede helft domineren de geschreven getuigenissen, vooral de briefwisseling tussen de schrijver Georges Duhamel (vrijwillig militair arts aan het front bij Amiens) en diens jonge vrouw Blanche.

Dat de verhalen uit de eerste hand niet altijd kunnen blijven boeien is niet de schuld van documentairemaker Jean-Claude Lubtchansky. Het filmmateriaal uit de Eerste wereldoorlog zelf blijft interessanter dan elk mogelijk commentaar. De onafzienbare moddervelden langs de Somme: slagveld en gigantisch massagraf. Het ferme voortstappen van Franse, Duitse, Engelse, Indiase en zelfs op een bepaald moment Chinese troepen in de richting van het front, op weg naar de slachtpartij dag en nacht. De eindeloze konvooien gewonden, doden, verminkten die van het front terugkomen. Al die beelden blijven gruwelijk en fascinerend, ook tachtig jaar na dato.

De Franse kindertjes op Duits bezet gebied mochten aan den lijve ervaren dat na 1914 de oorlog totaal was, niet de min of meer hoffelijke schermutseling waartoe de in negentiende-eeuwse vuurrode broeken gehulde Franse soldaten zich in 1914 hadden opgemaakt. Zij lagen onder voortdurende beschieting van hun eigen Franse artillerie, terwijl de Duitse troepen door het nemen van gijzelaars, het invoeren van de kerstboom en het bouwen van graf- en andere monumenten in het plaatsje duidelijk maakten de streek te willen verduitsen. Tot hun eer kan echter worden opgemerkt dat de Duitsers, toen de geallieerden aan het eind van de oorlog het plaatsje terugveroverden, de Franse bevolking evacueerde en via Duitsland en Zwitserland naar Frankrijk lieten gaan.

Dat was een vorm van respect voor de civiele bevolking, zoals men die in de Tweede Wereldoorlog nog maar zelden tegenkwam, en in Joegoslavië nu al helemaal niet meer.