Nieuw Europees spoorkartel wekt verzet bij verladers

ROTTERDAM, 10 JUNI. Twaalf Europese spoorwegmaatschappijen, waaronder de NS, willen een nieuw samenwerkingsverband vormen voor het vervoer van containers, wissellaadbakken en trailers. Zij hebben bij de Europese Commissie een verzoek ingediend tot ontheffing van het mededingingsrecht. De verladersorganisatie EVO vindt dat de samenwerking veel te ver gaat omdat die concurrentie op het spoor verhindert. De organisatie maakte deze week bekend een bezwaarschrift te hebben ingediend bij de Europese Commissie.

De spoorwegmaatschappijen willen onder meer gezamenlijk internationale treinroutes en netwerken exploiteren. Ook willen ze bepaalde dienstregelingen voor vijf jaar exclusief reserveren. Daarnaast willen ze afspraken maken over de vervoersvoorwaarden.

Dit soort samenwerkingsafspraken in de transportmarkt zijn binnen de Europese Unie verboden volgens een regeling uit 1968 over concurrentie in het vervoer via spoor, weg en binnenwateren (Regeling 1017/68). Die regeling biedt echter wel de mogelijkheid tot ontheffing. Daarop hebben de twaalf spoorwegmaatschappijen een beroep gedaan.

De EVO en de Europese werkgeversorganisatie Unice hebben bij de Europese Commissie bezwaarschriften ingediend tegen het ontheffingsverzoek van de spoorwegmaatschappijen. “Wij zijn niet beducht voor een stukje commerciële samenwerking tussen spoorwegmaatschappijen”, zegt Jetze Tjalma, beleidsmedewerker bij de EVO voor spoor, intermodaal vervoer en binnenvaart.“Maar deze voorstellen gaan veel te ver, zowel in omvang als in duur.” Volgens de verladersorganisatie komt het erop neer dat de spoorwegmaatschappijen het nieuwe vervoersmaatschappijen op het spoor onmogelijk maken een plek op de markt te veroveren. Dit terwijl er juist meer concurrentie op het spoor zou moeten komen.

Meer concurrentie op het spoor is ook de opvatting van de Europese Commissie. In een vier jaar oude richtlijn (bekend als Richtlijn 91/440) schrijft de Commissie voor dat beheer van het spoorwegnet gescheiden moet worden van het vervoer, en dat alle spoorwegmaatschappijen onder gelijke voorwaarden toegang moeten krijgen tot de nationale spoorwegnetten. De Commissie heeft vorig jaar voorgesteld de liberalisering van het spoorvervoer verder gestalte te geven, maar daartegen hebben de ministers van transport van de lidstaten zich verzet. Uiteindelijk heeft het Europees Parlement de kant gekozen van de ministers, waardoor de openstelling van de nationale spoorwegnetten waarschijnlijk met enige jaren is vertraagd. “Dat is al erg genoeg”, zegt Tjalma. “En dan komt er nu ook nog een concurrentiebeperkende samenwerking bij op het gebied van intermodaal vervoer - waar nu juist concurrentie nog enigszins mogelijk is.”

Volgens Johan Ter Poorten van NS Cargo loopt het allemaal zo'n vaart niet en is de reactie van de EVO overdreven. Het samenwerkingsverband is in de eerste plaats bedoeld om het internationaal vervoer te stroomlijnen, betoogt hij. Samenwerking is ook noodzakelijk om de vereiste grote investeringen te doen - bijvoorbeeld in locomotieven die op de stroomsystemen van verschillende landen kunnen rijden. “Elke spoorwegonderneming behoudt de vrijheid gebruik te maken van de vrije toegang tot de infrastructuur welke door artikel 10 van Richtlijn 91/440/EEG wordt gewaarborgd”, meldt het verzoekschrift van de twaalf spoorwegmaatschappijen geruststellend.

Samenwerking biedt vooral meer concurrentiemogelijkheid voor operators, aldus Ter Poorten. Tot voor kort bestond die concurrentie nauwelijk. De operator Intercontainer had een monopolie op het vervoer van maritieme containers. Slechts voor het vervoer van continentale containers bestond enige concurrentie. Een uitspraak van het Europees Hof maakte een eind aan deze situatie. Ter Poorten: “Vroeger moest je op Italië zaken doen met Intercontainer, of een beetje met Trailstar. Nu zijn er wel tien operators actief op deze verbinding.” Operators die onvoldoende aanbod hebben om in één keer een hele trein te vullen, kunnen door de samenwerking tussen de spoorwegmaatschappijen sneller en beter vervoer vinden naar hun bestemming, aldus Ter Poorten.

Waar de samenwerking de concurrentie tussen operators wellicht vergroot, beperkt ze die zeker tussen spoorwegmaatschappijen onderling. In het laatste artikel van het verzoekschrift stellen de spoorwegmaatschappijen dat de mededinging niet geheel wordt uitgeschakeld, “want de gebruikers blijven de keuze hebben gebruik te maken van substitueerbare vervoerswijzen zoals het vervoer over de weg, over de binnenwateren en over zee”. Dat wijst er toch op dat er dan kennelijk op het spoor weinig meer te concurreren valt? Ter Poorten ontkent dit, maar slaagt er niet in de portee van dit artikel anders uit te leggen. “Ik begrijp het eigenlijk ook niet.”

Hij denkt overigens dat het samenwerkingsverband geen lang leven beschoren zal zijn. Vijf à zes jaar lijkt hem reëel. “Ik denk dat deze ontwikkeling heel goed is om op termijn de zaak helemaal open te krijgen.”