Moralisten gorden zich aan

DAVID FRUM: Dead Right

230 blz., Basic Books 1994, ƒ 45,30

Slaagt Newt Gingrich waar Ronald Reagan faalde? De Republikeinse voorzitter van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden is hard op weg beloftes over de ontmanteling van de verzorgingsstaat en het snijden in de federale overheid waar te maken, terwijl de voormalige president die alleen met de mond beleed. Bezuinigingen op uitkeringen en medische zorg voor bejaarden en armen, op subsidies voor de agrarische sector, afschaffen van de ministeries van handel, onderwijs en energie - het stond voor een groot deel al op de agenda van Reagan, maar het wordt nu pas uitgevoerd. Dat wil zeggen: als de Republikeinse begrotingsvoorstellen in wetgeving worden omgezet.

David Frum (Wall Street Journal, Forbes) gaat het allemaal nog niet ver genoeg. De Republikeinen zouden zich naar zijn mening moeten concentreren op de volledige afbraak van de welvaartsstaat.

Het simpele feit bijvoorbeeld dat ze de pensioenen ongemoeid laten, dat staatsuniversiteiten gesubsidieerd blijven en de meeste ministeries blijven groeien, toont volgens hem aan dat van een echte conservatieve revolutie geen sprake is. Kwakzalvers noemt hij de Republikeinen in zijn pamflet Dead Right. Ze stellen weliswaar de juiste diagnose, maar schrijven willens en wetens het verkeerde recept voor.

Frum ontleedt vier stromingen in de Republikeinse partij, die tot zijn verdriet hun heil zoeken in het sociaal-conservatisme. Optimisten, moralisten, nationalisten en religieus rechts strijden om de ziel van de partij. De eerste twee hebben volgens hem de beste papieren.

De optimisten zijn de erfgenamen van Ronald Reagan. Ze onderscheiden zich door een doctrinair opgewekt gemoed. In theorie belijden ze de zegeningen van de vrije markt, in praktijk hebben ze zich neergelegd bij een krachtige federale overheid, die ervoor zorgt dat armlastigen en hulpbehoevenden niet aan hun lot worden overgelaten. Iedereen moet immers te vriend worden gehouden. Reagans natuurlijke opvolger is volgens Frum ex-footballster en oud-minister van huisvesting Jack Kemp, een meester in het omzeilen van moeilijke beslissingen.

Moralisten

De grote kracht van Kemp is zijn uitstekende relatie met de zwarte gemeenschap. Want dat blijft het zwakke punt van de optimisten: als alles goed gaat met Amerika, hoe moeten dan de aanwezigheid van sociale getto's en de wildgroei van Monster Kody's verklaard worden? Reagan sloot hiervoor de ogen, Kemp masseert zijn geweten door gesprekken te voeren met zwarten die de trektocht van woonkazernes naar de voorsteden hebben gemaakt. Wat is het geheim van hun succes? Op die vraag probeert Kemp nu al een politiek leven lang antwoord te krijgen. Hij zal dus wel altijd een belofte blijven.

De moralisten vormen, zoals Frum terecht schrijft, een steeds belangrijker groep in de Republikeinse partij. Ze staan lijnrecht tegenover de optimisten: Amerika zwalkt volgens hen als een uitgeputte marathonloper naar het einde van de eeuw. Zedelijke verwildering, echtscheidingen aan de lopende band, geweld op straat, extreem consumentisme: het baart de moralisten allemaal grote zorgen.

Soberheid, kuisheid en herstel van gezinswaarden moeten de Verenigde Staten van de ondergang redden. Maar ook de top van de maatschappij dient grondig te worden gezuiverd. Een 'progressieve elite' is er de afgelopen halve eeuw in geslaagd zich een dominante positie te verwerven in het bestuur, de rechterlijke macht, de media en aan universiteiten, vanwaar ze 'haar verderfelijke relativisme onder de bevolking heeft verspreid'. De moralisten hebben zich daarom de taak gesteld 'Washington' te veroveren en, met de macht eenmaal in handen, orde op zaken te stellen.

Neemt Frum de optimisten en moralisten serieus, dat geldt niet voor de nationalisten en religieus rechts. De eersten leggen volgens hem een misplaatst superioriteitsgevoel aan de dag tegenover minderheden en (illegale) vreemdelingen. Ze zijn ervan overtuigd dat deze groepen het geestelijke vermogen missen om de Amerikaanse democratie te doorgronden en de wilskracht om zich te ontwikkelen tot volwaardige, zelfstandige en verantwoordelijke burgers. Presidentskandidaat Buchanan, de leider van deze stroming, zou zelfs een regelrechte racist zijn.

Religieus rechts heeft volgens de schrijver geen levenskracht. Hoewel uit peilingen blijkt dat deze groep steeds meer macht verwerft in de Republikeinse partij, maakt haar programma - afschaffen van abortus, herinvoering van het ochtendgebed - volgens hem geen schijn van kans te worden verwezenlijkt.

Avonturiers

Frums pamflet is vooral in progressieve kringen goed ontvangen. Vreemd is dat niet, want zijn analyse van de Republikeinse partij neemt verreweg het grootste deel van het boek in beslag. Zij is echter niet volledig. Een belangrijke sociaal-conservatieve stroming zag hij over het hoofd: de militante avonturiers. Geloof in samenzweringstheorieën, verheerlijking van geweld, een romantische verdediging van 'typisch Amerikaanse waarden' en een kinderlijk verlangen naar een heroïsch bestaan kenmerken deze groep. Voor Nixon knapten ze 'vuile karweitjes' op, onder Reagan waren ze actief in de Iran-Contra-affaire. In Bill Clinton hebben ze een nieuwe prooi gevonden. In hun populaire praatprogramma's op de radio breken Oliver North (Iran-Contra) en G. Gordon Liddy (Watergate) hem volledig af. Liddy, een fanatieke schutter, gebruikt een kartonnen hoofd van de president als schietschijf. Hij raadt zijn luisteraars aan hetzelfde te doen. Het is de lunatic fringe, die niettemin door de Republikeinse partij wordt getolereerd.

Een ander bezwaar tegen Frums pamflet is dat hij Gingrich indeelt bij de moralisten. Opmerkingen aan het adres van ongehuwde moeders en over de psychologische belemmeringen voor vrouwen om bepaalde functies in het leger uit te oefenen, wijzen wel in die richting, maar Gingrich heeft ook een progressieve, zo men wil, radicale kant.

Zo blijkt uit een beschouwing van Garry Wills in The New York Review of Books van 23 maart dat hij er op het vlak van gezinswaarden een dubbele moraal op na houdt. Voor zijn eigen behoudende achterban in Georgia verheerlijkt hij het gezinsleven, in Washington houdt hij intussen lezingen over de nieuwe mens in het tijdperk van de communicatierevolutie. Wie is aangesloten op de elektronische snelweg heeft volgens hem behoefte aan vluchtige relaties, ja experimenteert naar hartelust met alternatieve levensvormen en deinst er niet voor terug kinderen langdurig uit te besteden aan vrienden, kennissen of familie. Althans, als die zich daartoe laten verleiden. Allemaal ideeën waar de rechtgeaarde moralist van gruwt.