Meer inzegeningen door kerk gewenst

“Er moet binnen de gereformeerde kerken in Nederland nodig een discussie worden gevoerd over de mogelijkheid niet-huwelijkse relaties in te zegenen”, zegt Jaap H. van der Laan. Hij is hoogleraar praktische theologie aan de Universiteit Kampen, en heeft onlangs eens uitgezocht wat er voor steekhoudends zit in de bezwaren tegen zulke inzegeningen. Wat vond hij?

In de eerste plaats blijkt het niet waar te zijn dat de kerk in haar geschiedenis van meet af aan huwelijken heeft ingezegend. Pas door het Concilie van Trente in 1563 werd bepaald dat een huwelijk voor de kerk alleen geldig is als het ten overstaan van een priester is gesloten. Maar Luther en Calvijn hadden tegen die ontwikkeling al van alles ingebracht.

Luther bestreed dat het huwelijk een goddelijke zaak zou zijn. Hij noemde het letterlijk “ein aüsserlich, weltlich Ding” waarvoor de overheid verantwoordelijkheid moet nemen. Ook Calvijn was die mening toegedaan. Calvijn ging wel zover het huwelijk als een goddelijke instelling te beschouwen. Maar zaken als de bouwkunst en zelfs de barbierkunst waren dat ook, en van de noodzaak er een priester bij te halen was hij dan ook niet overtuigd. Een sacrament is het huwelijk zeker niet, aldus Calvijn.

Tot de Franse tijd heeft de overheid in Nederland het sluiten van huwelijken altijd met plezier overgelaten aan de kerken. Het merkwaardige is, aldus Van der Laan, dat de reformatorische kerken in Nederland vervolgens in de Franse tijd geen zin hadden afstand te doen van de gewoonte om namens de burgerlijke overheid verantwoordelijkheid te dragen bij de sluiting van huwelijken. Het resultaat is dat huwelijken tot op heden weliswaar niet meer worden gesloten in de kerk, maar hier nog altijd worden bevestigd.

Een tweede mogelijk bezwaar tegen de inzegening van niet-huwelijkse relaties is dat de bijbel overduidelijk en in exclusieve zin zou spreken over godsdienstige handelingen bij de huwelijkssluiting. Maar zulke passages zijn er niet, zegt Van der Laan. Het huwelijk werd ten tijde van de bijbel beschouwd als een zaak van twee families, een burgerlijke aangelegenheid.

Het aantal huwelijken dat in de Nederlandse kerken wordt ingezegend, loopt terug. De inzegening van niet-huwelijkse relaties heeft volgens Van der Laan toekomst. De vraag ernaar is nu nog niet erg groot, maar de mensen moeten dan ook op het idee worden gebracht. Er is allereerst geen enkele reden om homoseksuelen uit te sluiten van dergelijke liturgische vieringen. Al pratende gaat zijn fantasie werken en verbreedt hij de mogelijkheden tot de 'inzegening' van belangrijke beslissingen en momenten in iemands leven. Waarom, vraagt Van der Laan zich af, zou de beslissing van iemand om op grond van zijn geloofsovertuiging journalist te worden, niet in de kerk kunnen worden gebracht om er een zegen over te vragen? Waarom zou er niet iets dergelijks georganiseerd kunnen worden rondom het vertrek van zendingsartsen en ontwikkelingswerkers? Of voor jongens en meisjes die als militair naar de oorlog in het voormalige Joegoslavië gaan?

Het is niet Van der Laans bedoeling om de waarde van het huwelijk te bagatelliseren. Van der Laan: “Het is van groot belang om zaken goed te regelen op het gemeentehuis. Maar we moeten er ook niet meteen een sacrament of iets bovennatuurlijks van maken. Het ja zeggen in het gemeentehuis en in de kerk is in zekere zin een ritueel spel, waarbij mensen eigenlijk publiekelijk overdoen wat ze toen in het maanlicht op een bankje in het park tegen elkaar hebben gezegd.”