Ligt U lekker ? (3)

Hoe vertelt een dokter een patiënt dat er helaas niets meer aan te doen is? Te oordelen naar de brieven van patiënten ligt hier voor de medische faculteiten nog een terrein braak. In de derde aflevering van 'Ligt U lekker' selecteerden we ervaringen met het medische en verplegend personeel aan het sterfbed. We vroegen daarbij om korte scènes uit het ziekenhuisleven, met de nadruk op 'dat ene zinnetje dat voor U een wereld van verschil maakte'. Ook medici en verpleegkundigen vroegen we om hun meest pregnante ervaringen met de patiënt van nu. Wij ontvingen inmiddels 120 reacties. Anonieme inzendingen kunnen we helaas niet afdrukken, hoewel de verleiding vaak groot is. “U hebt geluk, deze tumor is toevallig net mijn hobby”, tekende bijvoorbeeld één onzer lezers op uit de mond van een geneesheer bij het onderzoek van diens 8-jarige zoontje. Op de vraag naar de prognose antwoordde de arts: “De uitslag moet wel goed zijn, want anders...” waarna het bekende horizontale gebaar langs de keel volgde.

Nieuwe inzendingen zijn nog steeds welkom. Er zullen nog afleveringen volgen met ervaringen op de onderzoekstafel, de brancard en in de wachtkamer. Ook de vaak humoristische en navrante ervaringen van de medische stand met de patiënt komen in een aparte aflevering aan bod.

Zaterdags Peil: brieven om hardop voor te lezen. De boekebonnen werden toegekend aan E. Kok, J. Hendriks en B. Rettenwander.

Monitor

Een dame ligt op de coronary-care aan, zoals dat heet, 'de monitor'. Het beeld is niet goed, dat kan iedereen zien.

Internist (bij gebrek aan een cardioloog) loopt visite en spreekt de vrouw als volgt toe:

“Mevrouwtje, ik heb genoten van uw hartfilmpje”.

Enkele dagen later was ze dood.

H. T. Runia-Algra

Heerenveen Waar gebeurd

Precies vier jaar geleden ging mijn echtgenoot op de fiets weg voor een röntgenscan. Om 9.30 uur begon de diagnostische behandeling. Om 9.55 uur was de laatste foto.

Om 10.50 uur werd ik opgebeld om naar het ziekenhuis te komen. Hij was niet lekker geworden van het röntgencontrastmiddel.

Om 11.10 uur kwam ik bij hem op de Intensive Care-afdeling. Ze waren met een reanimatiepoging bezig. Ik pakte mijn man's hand, gaf er een kus op en ik streelde zijn voorhoofd.

“U staat alleen maar in de weg”, zei iemand.

Om 11.20 uur werd mijn man dood verklaard.

“Dan gaan we nu een hapje eten”, zei een van de behandelaars.

De uitslag van het onderzoek was: “geen afwijkingen”.

Waar gebeurd.

E. Kruishoop-Poorter

Eindhoven Wijs

Ik lig in de polikliniek van een groot ziekenhuis op de behandeltafel. Een al eerder geconstateerd darmgezwel wordt door de specialist verwijderd. Door de spanningen en door de niet geheel pijnloos verlopen ingreep, kan ik maar met moeite de cruciale vraag stellen of de tumor hem verdacht voorkomt. De medicus antwoordt bevestigend èn met de opmerking: “Dood gaan we allemaal”, er kennelijk van uitgaande dat deze diepe levenswijsheid mij troost biedt.

W. Dannis

Heiloo Verkeerd verbonden

De telefoon gaat: “Met het ziekenhuis, waar blijft meneer Mulder voor de röntgenfoto's.”

Ik: “Dan moet u in het mortuarium zijn, mijn man is twee dagen geleden bij u overleden.”

E. Mulder-Stoot

Utrecht Hoofdzuster

Het is 14 dagen voor de dood van mijn moeder. Ziekenhuis te Den Haag. Moeder vraagt vaak om euthanasie, maar dit kan niet. Willen wij ook niet. Een hoofdzuster tegen mij, de dochter:

“Uw moeder mevrouw is zo lastig, zij denkt dat het hier een asiel is waar we mensen afmaken.”

Ik heb toen vreselijk gehuild.

T. v.d. Kooy-Koelewijn

s-Gravenhage Leven

Zestien jaar geleden werd er bij mij een kwaadaardige tumor vastgesteld. Zo snel mogelijk opereren dus.

De avond voor de operatie kwam de chirurg mijn kamer binnen voor een laatste controle. Ik was 34 jaar en wilde maar een ding: leven. Ik was erg bang en vroeg hem wat mijn kansen op genezing waren, waarop hij antwoordde: “Ach, als de Russen komen is het ook afgelopen!”

J. Hendriks

Hengelo Polsbandje

Een aantal jaren geleden werkte ik (overigens niet in mijn huidige woonplaats) als verpleegkundige op een kinderafdeling waar een pasgeboren meisje werd opgenomen met een ernstige aangeboren hartafwijking.

Het meisje was de vorige dag op de kraamafdeling van die kliniek geboren gelijktijdig met een ander meisje. Het gezonde kindje ging naar huis.

Na enkele weken pakte de moeder het polsbandje van haar dochtertje uit de commode-la om het in te plakken. Met een schok constateerde ze dat er een andere naam op het bandje stond. Ze dacht eerst dat ze het verkeerde bandje had, maar dat kon niet. Ze had het zelf thuis losgeknipt van het polsje. Er was maar een conclusie mogelijk: ze had niet haar eigen kindje mee naar huis gekregen.

Ze nam contact op met het ziekenhuis en na maanden, van zeer grote onzekerheid en spanning, bleek na uitgebreid onderzoek dat ze inderdaad niet haar eigen kindje mee naar huis had gekregen. Het polsbandje was niet gecontroleerd tijdens de verzorging en bij ontslag.

Het zieke meisje met de hartafwijking bleek hun kind te zijn. Maar dat kindje was helaas al overleden. De ouders werden dus geconfronteerd met een dubbel verlies. Hun eigen kind was dood en het kind dat ze lang hadden verzorgd dreigden ze kwijt te raken. Na een moeilijke rechtspraak van maanden ging het nog levende meisje inderdaad naar de eigen ouders. Die dachten juist hun kindje te hebben verloren, maar kregen ineens een dochter van ruim een half jaar oud. De andere ouders waren hun kindje kwijt en moesten leren leven met de dood van hun eigen dochtertje waar ze nooit afscheid van hebben kunnen nemen.

Ook voor ons verpleegkundigen was het zeer ingrijpend. Je denkt er nog dikwijls aan.

E.M.J. Kok

Leiderdorp Plaatsje

Mijn vader van 82 was al enkele weken aan het sukkelen. Onverklaarbare pijn in de botten die zitten en liggen vrijwel onmogelijk maken. Diverse foto's en scans laten echter niets verontrustends zien.

Toch wordt de man steeds zwakker. Als hij nauwelijks meer op z'n benen kan staan wordt de situatie in de flat van de zelfstandig levende oudjes vrijwel onmogelijk. Omdat moeder volledig blind is en dus onmogelijk kan helpen besluit de huisarts m'n vader op te laten nemen in het Academisch Ziekenhuis Maastricht.

Na drie uur wachten in een harde rolstoel - het zitten doet 'm zichtbaar pijn - worden we door een oncoloog op de poli ontvangen. Hij bestudeert de papieren en de begeleidende brief van de huisarts en vraagt waarom we vader eigenlijk op willen laten nemen. Zij zijn er niet om sociale problemen op te lossen, maar na aandringen probeert hij alsnog een vrij bed voor de doodzieke man te vinden.

In het daarop volgende telefoontje, over onze hoofden heen naar een van zijn collega's, wordt me duidelijk gemaakt wat er met mijn vader aan de hand is.

“Wim, ik heb hier een patiënt met een flink kaaksarcoom, metastasering naar de ribben, lever en rug.”

“Nou nee, ik denk dat een operatie geen zin meer heeft.”

“Heb jij nog een plaatsje voor 'm?”

En dan weer naar ons: “Goed, ik heb het geregeld, hij kan hier blijven.”

Met een schouderklopje, “Alles goed begrepen meneer?” en “Goed zo”, is het onderhoud afgelopen. Het heeft nog geen tien minuten geduurd.

Meneer heeft het gelukkig niet zo goed begrepen, hij heeft van de zenuwen zijn gehoorapparaat vergeten en dus niet alles meegekregen. Nog diezelfde avond krijgt hij een bloeding die hem thuis bij z'n blinde vrouw het leven zou hebben gekost.

De academicus krijgt gelijk, papa hoeft niet meer geopereerd te worden.

Hij sterft tien dagen later, overigens omringd door zeer veel menselijkheid van het verplegend personeel.

Jan van Eyk

Ulestraten Buik

Op bezoek bij een vriendin (74 jaar) op de afdeling Oncologie van een groot ziekenhuis in Zuid-Holland. Als ze mij ziet binnenkomen doet ze moeite haar tranen te bedwingen. Ze vertelt dat de dokter - de oncoloog die af en toe met de zaalarts langskomt - pas is geweest.

Ik vermoed dat hij gezegd heeft de chemotherapie te staken, van vooruitgang is immers geen sprake. Maar nee, zo ver is het nog niet. “Ik heb gezegd dat ik ineens zo'n dikke buik heb.” “En?” “Hij zei 'hier kunt u toch niet zwanger geworden zijn' en ging met de zaalarts de kamer uit, ze moesten erom lachen.”

Mw. A.C. van Nimwegen

Heerenveen Minuutje

1985, een streekziekenhuis, er is nog voldoende personeel. Een ernstig zieke vader, waar ik bij zit, als de neuroloog hem in één adem vertelt dat er niets meer gedaan kan worden en dat hij zal sterven.

Tien keer slikken en trillend opstaan als de neuroloog zijn hand uitsteekt, ten teken dat hij nog meer te doen heeft.

Op mijn vraag of ik hem nog even apart kan spreken, kijkt hij op zijn horloge en zegt dat hij nog één minuutje heeft.

1994, een Academisch ziekenhuis, er wordt bezuinigd; ik onderga zelf een ingrijpende operatie en mij wordt verteld dat de goedaardige tumor geheel verwijderd is.

Vragen worden rustig en uitgebreid beantwoord en telkens wacht de neuro-chirurg tot ik mijn hand uitsteek ter beëindiging van een gesprek.

B. Rettenwander-Drost

Ermelo Naar huis

“Mijnheer Maas”, zo sprak de jonge co-assistent tot mijn vader van 82 jaar oud. “U moet maar denken, u bent een oude auto, en van een oude auto gaat de motor kapot, en die is niet meer te maken!”

En terwijl de tranen over z'n wangen liepen, besliste mijn vader “Dan wil ik nù naar huis, dokter!”

Twee-en-een-halve week later, 7 juni 1994, is mijn vader overleden. Ik kan zijn dood nog steeds niet verwerken, mede door deze gebeurtenis. Hoe kan iemand zó wreed zijn?

Liesbeth Mevissen-Maas

Venlo Maag

Na een heupoperatie bij mijn oude moeder die, wegens Kerst, pas 10 dagen na de breuk werd uitgevoerd, bleef haar bloeddruk te laag en kwam zij op de intensive care terecht.

Wij gingen er 's nachts naar toe, maar zonder dat wij goed tijd kregen om even tegen moeder te praten stuurde de zuster ons weg omdat zij de maag wilde leeghalen, misschien hielp dat...

Je bent toch al geslagen door het feit dat je moeder gaat overlijden en je laat je overdonderen. Mijn moeder die nog geen pilletje kon slikken, werd op haar sterfbed een slang door de keel geduwd.

Het duurde heel lang en toen kwam de zuster met het bericht: kom maar gauw want het loopt af.

We stonden bij het bed en een van de zusters zei: “Ze is overleden”. Maar ik keek naar de monitor waarop je kon zien dat het hart nog doortikte.

Dat zei ik en toen, draaide de zuster, rang, een knop om, zodat we niets meer zagen, en zei: “Ze ademt niet meer, dus is zij overleden.”

M. Zijlstra-Schagen

Huizen

Zaterdags Peil, NRC Handelsblad, postbus 8987, 3009 TH Rotterdam. Computergebruikers via Internet aan zpeil@nrc.nl