Laatste bericht uit Pekela

DIRK MULDER, AALJE TIKTAK, HARM VAN DER VEEN: Weinigen van velen. Notulenboek van een joodse gemeenschap 1940-1942

117 blz., Uitgave Herinneringscentrum kamp Westerbork, ƒ 22,90

DIRK MULDER en BEN PRINSEN (red.): Verhalen uit kamp Westerbork

112 blz., Westerbork cahiers 3, ƒ 24,50

Ruim tweehonderdvijftig jaar woonden er joden in het Groningse Pekela. In 1940 telde de joodse gemeenschap er 160 personen: slagers, veehandelaren, kooplieden, venters, manufacturiers, sigarenmakers en musici die met hun gezinnen deel uitmaakten van de Oostgroningse samenleving. Gedurende de bezetting werden de joodse Pekelders - op elf na, die waren ondergedoken - bij razzia's opgepakt en doorgestuurd naar de vernietigingskampen. Daar werden allen, op één na, vergast. De joodse gemeenschap in Pekela was niet meer. De weinigen die de oorlog overleefden werden lid van de kille in Stadskanaal.

Behalve de oude joodse begraafplaats is niets meer zichtbaar van het joodse leven in Pekela: de synagoge en ambtswoning van de rabbi werden in de jaren zeventig gesloopt. Er is slechts één document bewaard gebleven: het (unieke) 'Notulenboek van de kerkeraad van de Nederlands-Israëlitische Gemeente van Pekela'. De slager M. Goudsmit of rabbi A. Tonckman zou dit notulenboek met enkele andere voorwerpen in 1943, toen de Duitsers de synagoge leeghaalden, aan de verzetsman H. van der Veen in bewaring hebben gegeven. Deze verborg het boek in zijn tuin en gaf het na de bevrijding aan L. Goudsmit in Stadskanaal, die het vervolgens aan het archief van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap afstond.

Het notulenboek werd van juli 1940 tot oktober 1942 nauwkeurig bijgehouden door Abraham Tonckman, die in 1936 op 31-jarige leeftijd uit het Brabantse Oss naar Pekela verhuisde. Hij werd er rabbi, godsdienstleraar en secretaris van de joodse gemeente. Het voor zover bekend enige joodse notulenboek uit de bezettingstijd, nu voor het eerst uitgebreid belicht in het boek Weinigen van velen, geeft een authentiek beeld van een joodse gemeenschap in de mediene tijdens de eerste twee oorlogsjaren. Hoewel dr. J. Presser in zijn standaardwerk Ondergang wel naar het notulenboek verwees is het, behoudens in de Winschoter Courant in de jaren zeventig, nooit uitgebreid beschreven.

Uit het notulenboek blijkt dat in het begin van de bezetting het dagelijkse leven, ook voor de joden, zijn gewone gang gaat. Rabbi Tonckmans aandacht wordt door alledaagse zaken opgeëist, zoals nieuwe glas-in-lood-ramen voor de sjoel, de benoeming van een bode, problemen met wanbetalers en de viering van een jubileum. De consequenties van de anti-joodse maatregelen worden echter nauwelijks besproken. Zaken als de hulp aan vluchtelingen (voor de heer Polak 'die thans te Westerbork woont'), het voldoen aan de regels van de nazi's, worden haast terloops vermeld.

Toch weerspiegelen de notulen wel de toenemende dreiging van de steeds harder ingrijpende bezetter. Op 30 maart 1941 schrijft Tonckman dat het afsluiten van een 'molestverzekering' een 'dringende noodzaak' is, aangezien joodse gebouwen op dat moment bloot staan aan plundering, roof en brandstichting door de WA en de SA. De verzekering wordt afgesloten bij een Friese maatschappij. De Molest-Onderlinge voor het Noorden te Groningen verzekert alleen tegen 'normale oorlogsrisico's', niet tegen 'binnenlandse onlusten, oproer en relletjes'. Ook uit de verplichte aanschaf van een bedwelmingsapparaat voor het slachten van vee en gevogelte spreken de strakker wordende regels van de Nieuwe Orde. In augustus wordt de verordening uitgevaardigd dat warmbloedige dieren bij het slachten moeten worden verdoofd. Wat in feite een verbod op ritueel slachten is wordt gepresenteerd als een algemene maatregel ter bescherming van dieren. De joden schijnen de maatregel niet onredelijk te vinden. Discussie is er over de hoogte van de aanschafkosten van het apparaat.

Dagboeken

Ook de aanmeldingsplicht voor 'personen van geheel of gedeeltelijk Joodse bloede' (per persoon een gulden) wekt discussie: niet over de maatregel, maar over de onredelijkheid van sommige verzoeken van armlastige personen voor wie de kerkeraad moet betalen. In november 1941 komen er 60 ingezonden brieven binnen bij de kerkeraad van leden die getroffen zijn door het vestigingsverbod, die vragen om adressen waar joodse reizigers “hun brood kunnen opeten, maaltijden kunnen gebruiken, of logeren, nu zij ingevolge de desbetreffende verordening geen cafés, of hotels meer mogen betreden”.

Sluipend worden de maatregelen doorgevoerd. In 1941 worden bioscopen, universiteiten, cafés, zwembaden, parken, bibliotheken, dierentuinen, schouwburgen, musea, markten, verenigingen verboden voor joden. Ze moeten hun geld en radio's inleveren en mogen zonder toestemming niet meer reizen of verhuizen. Joodse kinderen moeten naar aparte scholen. Tonckman registreert op koele wijze. Op de vergadering van oktober 1942 - die de laatste blijkt te zijn geweest - wordt een ingekomen verzoek behandeld van mevrouw L. de Levie-Lutraan uit Oude Pekela om de kerkelijke contributie “ten laste van haar man te reduceren tot 50 cent per week. Daar het hele gezin naar Silezië is doorgestuurd”. Het lijkt voor kennisgeving te worden aangenomen. Toch voelt de kerkeraad dat het onheil nadert. Op dezelfde vergadering wordt besloten geen begroting voor 1943 te maken. Terwijl de catastrofe zich begint af te tekenen doet de kerkeraad wat op dat moment gedaan moet worden: het vermaant een gezin zijn contributieachterstand te voldoen!

In toegevoegde 'Aantekeningen' beschrijft Tonckman hoe het de steeds kleiner wordende gemeenschap vergaat. Hij noemt de namen van de joden die zijn opgepakt en naar Westerbork, 'het buitenland' en 'voor zover bekend naar Silezië' zijn vertrokken. Hij noteert de namen van de gezinnen die nog in Pekela wonen en vraagt zich af: “Hoe lang zal dit handjevol nog rustig kunnen wonen”? Bij de afsluiting van zijn relaas schrijft hij: “En nu zijn wij met weinigen van velen overgebleven; wij worden als vee weggeleid om gedood te worden en verloren te gaan, tot ellende en tot schande (..)”. Tonckman, zijn vrouw en hun drie dochtertjes werden op 9 februari 1943 gedeporteerd en later vergast.

Het derde Westerbork Cahier Verhalen uit Westerbork geeft een overzicht van de talloze (ego)documenten, dagboeken en brieven die er over het kamp bestaan. In dit deel komen ook niet eerder gepubliceerde ooggetuigenverslagen voor. Zoals dat van de nu 86-jarige Werner Stertzenbach, een joodse communist die in 1933 als vluchteling naar Nederland kwam. In 1941 kwam hij in Westerbork terecht, maar hij wist het kamp te ontvluchten, dook onder en keerde na de bevrijding terug naar Duitsland waar hij betrokken was bij de oprichting van de communistische partij KPD.

In het boek staan fragmenten uit brieven die hij uit het kamp aan zijn latere vrouw Stella schreef. Hun dochter Manja Pach zou in de jaren tachtig een van de initiatiefnemers zijn van de oprichting van het Herinneringscentrum kamp Westerbork.

    • Karin de Mik