Laat die wisent toch komen!

J. DESMET: Moeder natuur naakt! Over de schone schijn van onze natuur- en dierenliefde

272 blz., Kritak/ Jan van Arkel 1994, ƒ 39,50

Wat is natuur? De Nederlandse televisiekijker weet het: dat is wat je ziet wanneer dwarsfluiten of hobo's klinken, en vrolijke violen door toonladders dartelen. Jan Desmet, redacteur van het tijdschrift Grasduinen, pleit voor afschaffing van het woord 'natuur'. Mensen zeggen van de natuur te houden, en spuiten vervolgens vergif op het mos op hun terrastegels en strooien korrels tegen de muizen. In groter verband zijn er de natuurbeschermers, die zichzelf nog te graag als natuur-'beheerders' zien en spontane ontwikkelingen in het keurslijf dwingen van streefbeelden. Maar Moeder Natuur is een potige dame, en geen comateus geval dat verpleegd dient te worden, aldus Desmet. We moeten leren omgaan met 'wildigheid'.

In Moeder Natuur naakt! geeft hij zijn visie op de schone schijn van onze omgang met dieren en planten. Vooral op de inkapseling van de natuur in België en Nederland, maar goed gedocumenteerd zapt Desmet wanneer het zo uitkomt de hele wereld over, van de diepzee tot de Himalaya. Terugkerend thema daarbij is het met twee maten meten door de internationale natuurbescherming. Zo huivert hij van het vermanende westerse vingertje naar regenwoud slopende naties. Dat is hypocriet, want in Europa en Noord-Amerika is toch ook wel het een en ander mis. Er is te weinig aandacht voor de panda's van eigen bodem. De pardellynx, die vrijwel alleen in Spanje en Portugal leeft, is met haar vierhonderd exemplaren een van de zeldzaamste katten ter wereld. Een nieuwe snelweg in de bergen bij Toledo zal zes leefgebieden van deze lynx doormidden hakken. Maar Europa maakt zich meer druk om de Aziatische tijgers.

En zijn we in Nederland bereid weer ruimte vrij te maken voor wolven? Aan de hand van biografisch materiaal over de Belg Jean Massart (1865-1925) en de Nederlander Harm van de Veen (1945-1991) behandelt Desmet veranderingen in de denkbeelden van natuurbeschermers in deze eeuw. Onder meer door toedoen van Jean Massart won de overtuiging veld dat wilde planten en dieren recht hebben op reservaten.

Harm van de Veen formuleerde het inzicht dat de natuur zelfs uit schijnbaar hopeloze omstandigheden ijzersterk kan terugkomen, als ze maar de ruimte voor ontwikkeling krijgt. Van de Veen bracht de verbeelding terug in de Nederlandse natuurbescherming. Hij was in Nederland 'de Grote Boze Bioloog' die de natuur op de Veluwe meer autonomie wilde geven. Daardoor zou de wolf op termijn een herkansing kunnen krijgen, evenals de wisent, die al grazend het landschapsbeheer zou kunnen overnemen. De gekoesterde heidevelden en zandverstuivingen noemde hij littekens van voormalig wanbeheer. Hij was de eerste die het grootschalige en dure natuur-'onderhoud' met wetenschappelijke argumenten in twijfel trok. Het was een visie die halverwege de jaren zeventig opzien baarde en geen enkele natuurbeschermer, jager of bosbouwer onberoerd liet.

Gepeperde discussies

Zijn stellingname leverde Van de Veen soms bijval, maar vooral verguizing op. Maar het nastreven van menselijke bescheidenheid tegenover de natuur en wilde dieren bleef zijn vliegwiel. Die passie omschreef hij meermalen als een handicap. “Ik zie wat er met een landschap is uitgevreten, ik zie wat de toekomst is, ik zie wat de alternatieven zijn, maar als iemand vraagt: is het er mooi? dan heb ik daar vaak niet op gelet.”

Veel critici hebben uiteindelijk met zwier bakzeil gehaald. Die wisent komt er misschien nog wel, maar de concessie is nu overal te vinden, in de vorm van het Heckrund en de goed ogende Schotse Hooglander. Staatsbosbeheer groeide uit tot de grootste veehouder. En Natuurmonumenten deed al een voorzichtig onderzoek naar de kansen voor lynxen op de Veluwe.

Desmet geeft de gepeperde discussies rond de ideeën van Van de Veen vloeiend weer. Geschiedschrijving over de Nederlandse natuurbescherming is vrijwel onontgonnen terrein, het Thijsse-Heimanstijdperk uitgezonderd. Deze aanzet tot een biografie moet maar leiden tot een volledige, waarvoor Desmet zich dan wat meer tijd moet gunnen. Dat is ook het euvel van de rest van zijn boek: Desmet heeft haast. Zijn gedrevenheid gaat niet ten koste van weergave van feitenmateriaal, maar wel van het zorgvuldig opbouwen van een sluitend betoog per onderwerp binnen de schone schijn van onze natuurliefde. Hij hamert boos op zoveel mogelijk aambeelden tegelijk, zonder te doseren en hij deelt zoveel klappen uit, dat het nauwelijks meer opvalt dat er heel rake tussen zitten.

Die maken het boek interessant. Daarnaast is zijn belezenheid een sterke troef. Wie houdt van brokjes informatie uit onverwachte hoek, is bij Desmet aan het goede adres. Zo vatte Kamagurka de voortdurende crisis rond de Belgische duingebieden ooit met deze woorden samen: “Helemaal in het zuiden ligt De Panne. Het heeft een schitterend natuurreservaat dat vol staat met flatgebouwen.”