Kunst en economie

Cultuur en geld zijn twee aparte werelden, die door de eeuwen heen hebben gebotst. De kunstenaar verlangt in wezen een beloning voor zijn talent zonder verdere omslag, terwijl de geldverschaffer juist met vragen komt. In de gedachte dat ook kunst deel uitmaakt van de maakbare samenleving, is de financiering daarvan in het jongste verleden steeds verder naar het publieke domein verschoven. Totdat bijvoorbeeld in ons land het hoogtepunt was bereikt met de BKR-regeling, waarbij beeldende kunstenaars tegen regelmatige inlevering van hun werk een minimum inkomen konden verkrijgen. Een typisch voorbeeld van het verdringen van de markt door de overheid, want achteraf bezien blijkt het thans nodig veel te vernietigen om geen blijvend marktbederf te veroorzaken.

Verkregen rechten, ook al waren ze voor een deel het resultaat van de 'follies' van de jaren zeventig zijn bijna niet aan te tasten. Met onbegrip en verzet heeft de kunstwereld dan ook aanvankelijk gereageerd op de terugtredende overheid. Maar nu probeert men het beste te maken van de marktfilosofie, die zich o.a. uit in privatisering van musea en budgetfinanciering. Kunstsponsoring heeft een deel van het gat gedicht en langzamerhand probeert men het publiek te wennen aan meer marktconforme prijzen, zoals die ook in het buitenland gelden.

Dit alles heeft zijn goede kanten. Veel geprivatiseerde kunstinstellingen ervaren hun eigen verantwoordelijkheid beter en zijn daardoor tot allerlei initiatieven gekomen. De kunstsponsoring is volwassen geworden in die zin, dat men zich doorgaans niet bemoeit met de inhoud van het gebodene, maar wel door 'advertising', door uitkoop van voorstellingen voor klanten en personeel en door vriendenkringen de kunst in de eigen omgeving brengt.

Natuurlijk blijven er genoeg problemen over. Meer dan vroeger vergt het met 'de pet rond gaan' aandacht en tijd en het is ook niet altijd bemoedigend werk. De smaak van het publiek is vaak een andere dan die van de artistieke wereld en langzamerhand raakt de sponsormarkt wat verzadigd. Ook bij prijsverhogingen stuit men op de wetten van vraag en aanbod, die op dit terrein betekenen dat maar weinigen aan kunst een hogere waarde toekennen dan aan andere levenstgenietingen.

Kunst is duur en wordt steeds duurder. Dat komt omdat bij de algemene produktiviteitsstijging de kunst doorgaans achterblijft. Men kan een symfonie niet sneller gaan spelen of bezuinigen op de rollen in een toneelstuk. Bovendien werken vooral musea, orkesten, toneel en ballet met hoge vaste kosten. Voordat een orkest nog maar een noot heeft gespeeld zijn al vele miljoenen guldens op aan salarissen en zaalhuur. De variabele kosten, dus beloningen voor bijzondere artiesten of het bieden van speciale tentoonstellingen, vallen daarbij in het niet. En juist daarvoor willen sponsors en publiek wel betalen.

Het is in de kunst dan ook een bijzondere kunst om de verhouding tussen vaste en variabele kosten te verbeteren. Er zijn hiervoor bijzonder aardige voorbeelden, waarvan ik er enige wil noemen. Het eerste is de Kunsthal in Rotterdam. Dat museum heeft geen eigen collectie, dus de vaste kosten zijn relatief laag, maar het kan vaak en snel tentoonstellingen inrichten. Een ander model volgt Beelden aan Zee in Scheveningen, een bewonderenswaardig en zeldzaam voorbeeld in Nederland van een particulier, die voor zijn eigen collectie een prachtig museum heeft laten bouwen. Daar zijn de vaste kosten voor suppoosten e.d. vervangen door bijdragen om niet van vrijwilligers, die het een eer en genoegen vinden om bezoekers het museum te laten zien.

Veel moeilijker is het een grotere bijdrage voor de vaste kosten te vinden. Zo is het bijna onmogelijk voor een orkest iets op een andere markt, bijv. met buitenlandse tournees, te verdienen. De daarvoor geldende variabele kosten (reizen) zijn doorgaans te hoog. Een museum kan nog wel eens boffen met een mooie opbrengst in Japan.

In eigen land moeten we erg oppassen met bijzondere tentoonstellingen, die veel kosten en hoge eisen stellen aan smaak van het publiek. Een voorbeeld daarvan was de unieke Mondriaan-tentoonstelling in Den Haag. Daar zijn we op een wet gestoten, die ik voor het gemak de museumwet noem. Kort gezegd komt die erop neer, dat een bijzondere exhibitie niet veel meer dan het dubbele kan trekken van het normale, jaarlijkse publiek van het betrokken museum. Het jaargetal ligt in Den Haag zeer laag nl. zo'n 75.000 bezoekers. Mondriaan kon in die stad dan ook niet veel verder komen dan 160.000 bezoekers. Dat is net iets te weinig voor een tentoonstelling met hoge eigen kosten, vooral de dure verzekering en beveiliging van het Mondriaan-bezit uit de Verenigde Staten.

Al met al blijkt meer markt voor de kunst toch geen slechte zaak te zijn. Nodig blijft hulp van de overheid, vooral op het niveau van provincies en gemeenten, bij de vaste kosten, dus de aanbesteding en financiering van gebouwen. Daarover mogen we in Nederland niet klagen, wat de nieuwe musea in Groningen en Maastricht bewijzen. Daarnaast is het de kunst om vaste kosten variabel te maken en nieuwe markten aan te boren. Niet veel kunstenaars zullen dat zo zeggen of aanvoelen. Maar desondanks is de kunstwereld toch met veel nieuwe creativiteit op dit gebied aan de slag gegaan.