Jansons voor Concertgebouworkest; Zevende van Sjostakovitsj overweldigend

Concert: Concertgebouworkest en leden van het Groot Omroepkoor o.l.v. Mariss Jansons. Met Daniel Olbrychski (spreekstem). Programma: Schönberg, A Survivor from Warsaw; Sjostakovitsj, Zevende symfonie. Gehoord: 9/6, Concertgebouw in Amsterdam. Herhaling: 10 en 11/6, Concertgebouw; 14/6 (20.02u) op Radio 4.

Het Concertgebouworkest zal zijn prestatie van gisteravond niet gemakkelijk verbeteren, in de drie concerten die resten in het kader van het Holland Festival. Misschien geeft violist Jaap van Zweden op 17 juni een briljante vertolking van Wolfgang Rihms vioolconcert Gesungene Zeit, misschien zorgt Svetlanov een week later op het RAI-concert voor spektakel, of krijgt Edo de Waart de geest in het zwaarmoedige expressionisme van Bernd Alois Zimmermann (29 juni). Maar of het niveau van de adembenemende uitvoering van de Zevende symfonie van Sjostakovitsj onder leiding van de Letse dirigent Mariss Jansons zal worden geëvenaard is de vraag.

De avond stond in het teken van het festivalthema 'Kunst en verzet'. A Survivor from Warsaw (1947), de cantate van Arnold Schönberg waarmee het concert begon, is een indrukwekkende compositie over de vernietiging van de joden door de nazi's. Het stuk, met zijn schrijnende muziek en dramatische tekst (voor spreekstem en mannenkoor, geschreven door Schönberg zelf, gebaseerd op verslagen van overlevenden van het getto van Warschau), duurt nauwelijks acht minuten - als opening van een concert is het daardoor nogal zwaarwichtig, en als afsluiting veel te kort. Dat wreekte zich ook gisteravond. De cantate werd verpulverd door de meer dan een uur durende symfonie van Sjostakovitsj.

De keuze voor de Poolse acteur Daniel Olbrychski als spreekstem gaf A Survivor from Warsaw een bijzonder karakter. Zijn Engels had, voor zover verstaanbaar, een sterk accent - alsof een echte overlevende uit Warschau zijn verhaal vertelde. Helaas klonk Olbrychski nogal hees, zijn geluid ging onder in de klank van het orkest. Jansons wist Schönbergs orkestrale nuances fraai te benutten. Het contrast tussen de grillige begeleiding van de spreekstem en de monolitische koorpassage, een in het Hebreeuws gezongen geloofsbelijdenis, kreeg bij Jansons veel nadruk.

De Zevende symfonie van Sjostakovitsj ontstond zes jaar eerder dan het werk van Schönberg, tijdens het beleg van Leningrad dat bijna een miljoen slachtoffers eiste. Het is een symfonie waarover heroïsche anekdotes bestaan, over publiek dat tijdens de uitvoering en zelfs tijdens het daaropvolgende ovationele applaus weigerde de zaal te verlaten ondanks dreigende luchtaanvallen.

Het is een verpletterend compositie, vooral het eerste deel met een kort motief dat, à la Boléro van Ravel maar dan met een wrange ondertoon, in allerlei varianten steeds luider wordt herhaald. De inleiding is, net als de andere drie delen, introvert. Alleen aan het eind barst het geweld nog eens in alle hevigheid los, maar nu met een bevrijdende ondertoon.

Jansons dreef het orkest tot het uiterste en hij hield daarbij de subtiliteiten van Sjostakovitsj' instrumentatie intussen goed in het oog. Ondanks de nodige ritmische oneffenheden, maakten de prestaties van het orkest, vooral de glanzende vioolklank, de prachtige fagot-solo van Brian Pollard, de scherpe trompetsignalen en het dwingende slagwerk, een overweldigende indruk.

    • Paul Luttikhuis