Interview met Haagse hoofdcommissaris J. Brand; 'Bendes worden louter rijker van jacht op drugs'

DEN HAAG, 10 JUNI. De datum was toeval maar de bijeenkomst had nauwelijks op een actueler moment belegd kunnen worden. Vorige week dinsdag, kort nadat er publikaties waren verschenen dat de Haarlemse politie op grootschalige wijze jarenlang drugs op de vrije markt had gebracht, vergaderden in Harmelen de hoofdcommissarissen van politie. Het thema: het Nederlandse drugsbeleid.

Na een uitgebreide discussie werden de politiechefs het eens. In zijn huidige vorm, zegt hun voorzitter, de Haagse hoofdcommissaris J. Brand, is de War on Drugs in Nederland mislukt. “Het almaar opvoeren van de jacht op drugs leidt er alleen maar toe dat de criminelen steeds rijker worden.”

Voordat de politiechefs tot deze conclusie kwamen, was het onderwerp ingeleid door drie deskundigen die ieder de afgelopen jaren nadrukkelijk ijverden voor een liberalisering van het drugsbeleid. De Utrechtse politiechef J. Wiarda, de Amsterdamse strafrechtsgeleerde F. Rüter en topambtenaar R. Samsom - drugsadviseur van minister Borst (volksgezondheid) - hadden gewaarschuwd voor de kwalijke effecten van het justitiële drugsbeleid. Hun opmerkingen vielen in vruchtbare aarde. “We zijn unaniem tot de conclusie gekomen dat we verdere stappen moeten zetten op de weg naar decriminalisering van de handel in soft drugs”, zegt Brand.

Tot die slotsom kwamen de hoofdcommissarissen, benadrukt Brand, na “enkele invalshoeken in beschouwing te hebben genomen”. Hij doceert: “De eerste is de economische. We pakken volgens onze schatting hooguit 20 procent van de drugsimport. Het marktmechanisme zorgt ervoor dat criminelen dit verlies incalculeren. Het uiteindelijke effect van ons werk is ook prijsopdrijving. We maken de criminelen steeds rijker. Het beperken van de handel levert alleen maar nieuwe markten op. In Italië hebben we gezien hoe groot het gevaar van corruptie dan wordt, omdat drugshandelaren zich met veel geld in de bovenwereld gaan nestelen.”

Strikt vanuit economisch oogpunt geredeneerd, zegt Brand, zou vervolgens de conclusie moeten zijn dat je drugs volledig kunt vrijgeven maar andere aspecten pleiten daartegen. Uit een overweging van volksgezondheid dient verslaving te worden bestreden. Met het oog op de openbare orde moet de overlast zoveel mogelijk beperkt worden. “Er moeten net genoeg verkooppunten zijn die in lokale behoeften aan soft drugs voorzien, zodat je in ieder geval drugstoerisme voorkomt.” En handhaving door de sterke arm kan niet anders dan “sluitstuk van beleid zijn”.

Nederland moet zich “tot het uiterste inspannen” om een nieuwe aanpak van de drugshandel wereldwijd op de agenda te krijgen, vinden de hoofdcommissarissen. “We kunnen de wereld wat laten zien op het gebied van het decriminaliseren van de gebruiker. Die aanpak beheersen we als geen ander. Maar nu is het zaak stappen te zetten waardoor ook de hàndel uit criminele handen wordt genomen.”

De positie van Nederland is evenwel lastig, realiseert Brand zich. Laatst sprak hij een hoge justitiefunctionaris in Colombia die zich voorstander toonde van volledige vrijgave. “Als Colombiaan vond hij echter dat hij dit standpunt niet kan verdedigen. Hetzelfde probleem hebben wij als Nederland omdat we een hoofdrol in het transport spelen, en als we niet uitkijken ook in de verbouw van drugs.”

De hoofdcommissarissen willen hun standpunt nog voor de zomer aan de betrokken ministers toelichten omdat de drugsnota die een alomvattende oplossing moet bieden voor het drugsbeleid op het punt van verschijnen staat.

Veel concrete handreikingen zullen de politiechefs overigens niet bieden. “We hebben niet dè oplossing in huis maar we willen wel proberen een nieuwe richting aan te geven”, zegt Brand. Hij spreekt over het “zetten van kleine stapjes”. Het idee van het openen van staatswinkels voor drugs wijst hij evenwel van de hand. “Het is een illusie om te denken dat de staat de criminelen hun handel kan afpakken”.

Een nieuwe aanpak van de drugshandel betekent volgens Brand niet dat de politie de zware georganiseerde misdaad met rust laat. “Als ze niet in drugs handelen komen ze wel in wapens, prostitutie of fraude terecht. Daarop moeten we anticiperen. We moeten de zware criminelen in het vizier blijven houden. Het risico van te intensieve contacten met de bovenwereld blijft levensgroot. Criminelen moeten niet het idee krijgen: ze laten de drugs met rust dus nu hebben wij vrij spel.”

Overigens wil Brand niet verhullen dat de politie de laatste tijd enigszins terughoudend is geworden bij de aanpak van zware criminelen. Politie en justitie wachten op nieuwe normen die pas zullen worden gesteld als de parlementaire enquête naar de opsporingsmethoden eind dit jaar is afgerond. Brand was al nooit voorstander van dit onderzoek omdat broodnodige wetgeving voor de opsporingsmethoden hierdoor nog langer op zich laat wachten.

“Ik heb alle vertrouwen in de commissie-Van Traa maar de enquête heeft hoe dan ook een vertragend effect. Ook omdat het tot onzekerheid in het politie- en justitieveld leidt. Wat mag wel, wat niet? Dat heeft een negatief effect op het resultaat. Wie de strijd met grote criminelen aanbindt, moet zich een winner voelen. Dat is op dit moment onmogelijk.”

Het sinds enkele maanden lopende onderzoek van de rijksrecherche naar de politie in Haarlem - een initiatief van de nieuwe topman van het Openbaar Ministerie Docters van Leeuwen - heeft die onzekerheid nog versterkt. De Criminele Inlichtingendienst (CID) van de politie in Haarlem blijkt volgens publikaties de afgelopen vijf jaar op grote schaal partijen criminele goederen, vooral drugs, op de vrije markt gebracht. Daarmee moesten criminele informanten 'groeien' in misdaadorganisaties zodat de politie de top kon aanpakken.

Volgens Brand mag door dat rijksrecherche-onderzoek niet de indruk ontstaan dat “alleen de Haarlemse politie langs de grenzen van het opsporingswerk” is gelopen. “De methode van het op de vrije markt brengen van drugs is door meer politiekorpsen in het hele land toegepast. Er is door het openbaar ministerie rugdekking aan gegeven. Ikzelf vind het ook toelaatbaar zolang je zeker bent dat de politie de informant stuurt en niet andersom. Ook moet je goed kunnen uitleggen wat de resultaten zijn geweest, welke criminelen je uiteindelijk hebt gearresteerd.”

Brand: “Een generaal die oorlog voert, wil wel eens een stapje te ver gaan, dat moet je hem achteraf niet kwalijk nemen. Als je geen risico's neemt, weet je zeker dat je de strijd verliest”, zegt Brand. Hij vraagt daarom begrip voor fouten die, mogelijk, in Haarlem zijn gemaakt. Op de vraag of bij sommige politiechefs de vrees bestaat dat collega's geslachtofferd worden, zegt hij: “Ik zou het heel slecht vinden als genomen risico's worden teruggeleid op personen. Tenzij natuurlijk blijkt dat er corruptie in het spel was.”

De Haagse hoofdcommissaris ontkent niet dat er vanuit sommige korpsen nog altijd naijver bestaat over de afloop van de IRT-affaire, waarbij de hoofdstedelijke politie en justitie tegenover hun collega's uit de rest van de randstad kwamen te staan. De Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck en politiechef Straver uit Haarlem zijn daarbij de gebeten hond. “Het moet in deze problematiek gaan over de zaak en niet over personen. Van Randwijck en Straver zijn bijzonder integere mensen. Daar moet je geen wedstrijd op spelen”.

De spanningen tussen OM en politie worden overigens niet alleen belast door de lopende onderzoeken. Het schrijven waarin procureur-generaal Docters van Leeuwen vorige maand sommeerde dat het openbaar ministerie er nog eens bij de politiekorpsen op moet aandringen dat nu toch echt álle ongebruikelijke opsporingsmethdoes worden aangemeld, is bij de politie heel slecht gevallen. “Er mag niet een situatie ontstaan waarbij het openbaar ministerie de politie als zondebok aanwijst voor het uit de hand lopen van misdaadbestrijding. Die brief had niet geschreven behoeven te worden want de politie doet al haar werk in verdomd nauwe samenwerking met de officieren van justitie”, zegt Brand.

De Haagse hoofdcommissaris vindt bovendien “dat Docters van Leeuwen de schijn moet vermijden een wig te drijven tussen het OM en de politie. Je moet ervan uitgaan dat de criminaliteitsbestrijding echt een gezamenlijke verantwoordelijkheid is. Het vereist ook een grote wederzijdse openheid.”

Het is bovendien een misvatting dat het altijd de politie zou zijn die Miami Vice-achtige capriolen uithaalt in zijn ijver boeven te vangen, zegt Brand. Eerder dit jaar deed zich in Den Haag bij voorbeeld een incident voor waarbij een Haagse officier van justitie zich door de politie geremd voelde in zijn ambities op grensverleggende wijze te rechercheren. De Haagse politie stelde toen de opdracht van de officier van justitie ter discussie. “Als je op jacht bent moet je samen steeds bepalen of je nog een volgende stap zet. Soms trekt het openbaar ministerie aan de rem, maar soms ook de politie.”