Het wachten

De foto toont volgens het onderschrift een stewardess die een 'verontwaardigde reiziger' probeert te kalmeren. Verontwaardigd? Ik zou eerder zeggen dat deze passagier een ogenblik tevoren een rotsvast geloof heeft verloren, ten prooi is aan de volstrekte wanhoop, de laatste leegte voor zich ziet. De stewardess begrijpt dat. Ze kalmeert niet; uit haar gezicht, haar hele houding blijkt dat ze dit grote ongeluk probeert te bezweren. Dit is een plaatje van een zeldzaam dramatische kracht.

Een van de affiches die de Bond tegen het vloeken op de stations laat aanplakken draagt de tekst: Trein gemist? Vloek niet. Ik kan me wel omstandigheden voorstellen waaronder je, terwijl je het perron op rent en de trein ziet wegrijden, je toevlucht tot een krachtterm neemt of zelfs de eerste mens met pet binnen je bereik een klap geeft. Maar voor zover ik me kan herinneren is het één noch het ander me ooit overkomen. Een pilotenstaking, vorst die de wissels doet bevriezen, ijzel die de bovenleidingen onklaar maakt, een wegrijdende trein: ik beschouw het allemaal als vormen van zegen. Het is overmacht waardoor je de kans krijgt, schuldloos op een vliegveld of een station rond te hangen. Zo'n verkeersknooppunt is opeens veranderd in een Nirwana waar je niemand kent (hoop je dan) en door geen mens op je verplichtingen kan worden aangesproken. Op het vliegveld Riem, München, heb ik eens drie dagen op een verbinding moeten wachten. Het is daar van alle gemakken voorzien, het was prachtig winterweer, ik had schrijfgerei bij me en genoeg geld op zak, en daar ben ik die drie etmalen gedragen door het besef dat niets me kon gebeuren. Ik schrijf het op omdat ik het iedereen kan aanbevelen, met dit voorbehoud dat zo'n geluk altijd onverwacht komt en dus niet te arrangeren valt.

De goede stations en vliegvelden zijn niet alleen op de aankomende en de vertrekkende mens ingericht; ook de wachtende vindt er waaraan hij behoefte heeft. De grote stations van Parijs zijn kopstations; de treinen rijden er niet doorheen maar vinden er hun begin- en eindpunt. Achter de rij stootblokken is onder de overkapping een soort plein met kiosken en een terras. In het eigenlijke stationsgebouw is dan nog een restaurant. De grote stations van New York zijn ook op die manier ingericht, met dit verschil dat je er de treinen niet meer ziet. Dat geeft een ander effect. Ook daar kun je lang rondhangen zonder je te vervelen, maar ik vind het beter als er iets van het eigenlijke doel - het aankomend en vertrekkend verkeer - zichtbaar en hoorbaar blijft. Anders gezegd: het wachten moet geen doel in zichzelf worden; het moet een oponthoud blijven.

Intussen zien we dat de punten van aankomst en vertrek daarnaast steeds meer verblijfplaats worden. Het is begonnen met de belastingvrije winkels op de vliegvelden, intussen uitgebouwd tot luilekkerlanden van het modern begeren. De grote spoorwegstations in Duitsland, - Keulen, Hamburg - zijn veranderd in winkelgalerijen waar toevallig, schijnt het, ook nog treinen stoppen. Het Amsterdamse Centraal Station heeft na de verbouwing twee bescheiden galerijen gekregen, en niet lang geleden zijn er in de hal kraampjes neergezet waar je dassen, cd's, kaarsen en wierook kunt kopen. Dat is nieuw: naar het station gaan als je toevallig zonder wierook zit.

En nu Schiphol Plaza. Je weet niet wat je overkomt. Eerst met de trein de tunnel in en verder op de rolglooiing om geleidelijk weer boven de grond te komen. Daar sta je dan onder een tamelijk laag dak in een onmetelijke ruimte. Ergens uit die overdekte verte komt levende muziek van een ouderwets dansorkest, I can't give you anything but love baby, waarop een paar van middelbare leeftijd de foxtrot doet. IJscolikkende mensen drentelen voorbij. Aan een eetbar smullen jongeren van een hamburger. Achter een toonbank onder een tentje staan twee meisjes in groen mantelpak klaar om je info te geven. Rustige welgestelde dames houden in muziekloze kledingwinkels een jumpertje voor en kijken vragend naar de verkoopster die een tuitmondje van instemming maakt. Het is windstil en 22 graden. Buiten regent het, hier is het klimaat opgeheven. De betegelde aardbodem is smetteloos. Het is een muzak-klimaat, in een vrede die alles opheft. Alleen verderop is een heel reisgezelschap klem geraakt in zo'n reuzendraaideur die alles vanzelf doet mits je maar weet dat je er doorheen moet sloffen. Een draaideurgids snelt toe en geneest de buitenmensen van hun paniek. De bouwers van Schiphol Plaza hebben iets gemaakt dat, bij mijn weten, het dichtst tot een roerloze vrede in welvaart is genaderd. Je hoeft niets van al die begerenswaardigheden in de winkels te kopen; het is voldoende te weten dat ze er zijn. De ziel wordt rimpelloos.

De laatste tijd wordt er weer veel over Schiphol geklaagd. 'Grootheidswaan', enzovoorts. Terecht of niet terecht - dat komt allemaal te laat. Die stad is er, en alleen een ramp of een oorlog kan er iets aan veranderen. In het Plaza (dat natuurlijk niet belastingvrij is) heeft datgene wat oorspronkelijk 'wachten' was, zich verzelfstandigd. De sfeer van vliegveld en station delen zich in de verte nog wel mee aan die overdekte wereld, maar je hoeft niet aan te komen of te vertrekken. Het heeft iets van de de passages waarin een eeuw geleden de vrede, welvaart en vooruitgang waren gevestigd. In Den Haag, Milaan, Brussel: onder die glazen koepels is dat allemaal bewaard, zoals het misschien nu in Schiphol Plaza bewaard gaat worden voor 2095.