'EU brengt fruitimporteurs in problemen'

DEN HAAG, 10 JUNI. De Europese Unie maakt in de loop van dit jaar de im- en export van fruit uit landen buiten de Unie praktisch onmogelijk door een nieuw systeem van zogeheten entreeprijzen. De regeling is vanaf 1 januari al van kracht voor tomaten, komkommers, artisjokken en courgettes. Omdat die produkten voor het merendeel binnen Europa worden geproduceerd hebben zich nog weinig problemen voorgedaan.

Vanaf 1 juni echter is de regeling gaan gelden voor citroenen en abrikozen. “Dat heeft importeurs inmiddels in grote moeilijkheden gebracht”, zegt mr. J.P. Schoneveld, secretaris van de Nederlandse Vereniging voor de Fruit- en Groentenimporthandel. “Op 21 mei is de regeling al van kracht geworden voor de invoer van kersen en die ligt danook volledig stil. Per 11 juni wordt het systeem van kracht voor perziken en pruimen, op 1 juli voor appels en peren, op 21 juli voor druiven, op 1 november voor mandarijnen en clementines en op 1 december voor sinaasappels. Naar verwachting is het dan wegens de hoge heffingen onmogelijk nog sinaasappels uit bijvoorbeeld Cuba op de markt te brengen”, aldus Schoneveld.

De nieuwe Europese invoerregelingen, zoals die vanaf 1 januari trapsgewijs van kracht worden, vloeien voort uit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Dat beleid voorziet sinds 1972 in een marktordening voor groenten en fruit. Bedoeling van die marktordening is van oudsher verhoging van de produktiviteit in Europa door technische vooruitgang, een gegarandeerd inkomen voor boeren, stabilisatie van de markt, een verantwoorde voedselvoorziening en redelijke prijzen voor de consument. Dat heeft geleid tot een gereguleerd markt- en prijsbeleid in de groenten- en fruitsector door het hanteren van een prijs- en interventieregeling en een regeling voor het handelsverkeer met landen buiten de Unie.

De voortgang van het zogeheten MacSharry-beleid en de uitkomsten van het Gatt-akkoord noodzaken de Europese Commissie tot een grondige hervorming van de bestaande marktordening. Vooral op grond van de Gatt-afspraken dient het systeem van referentieprijzen, zoals dat vanaf 1972 heeft gegolden, te worden vervangen. Dit systeem is opgezet om de produkten die binnen de gemeenschap worden geteeld - tijdens bepaalde perioden in het jaar - te beschermen tegen laaggeprijsde produkten uit landen van buiten de gemeenschap. Dat gebeurt via heffingen.

Ooit was de referentieprijs gebaseerd op de werkelijke produktiekosten. Naarmate de produktie in de loop van de jaren zeventig echter groter en goedkoper werd, zou het in de rede hebben gelegen die referentieprijzen te verlagen. In die mogelijkheid voorziet de verordening echter niet. Jaarlijks zijn de prijzen met procenten omhoog gegaan. In een enkel geval werden ze hooguit bevroren. De relatie die nu nog bestaat tussen produktieprijs en referentieprijs is ver te zoeken.

Als de prijs van een ingevoerd produkt lager ligt dan de referentieprijs die binnen de Unie geldt, dan legt de Commissie - naast het bestaande invoerrecht - een 'compenserende heffing' op.

Met de afsluiting van de achtste Gatt-ronde op 15 april vorig jaar in Marrakech is besloten de Europese invoerregeling stapsgewijs te veranderen, omdat die zich niet verhouden met het beoogde vrijhandelsverkeer. Met die wijziging is dit jaar begonnen met de invoering van een zogeheten 'entreeprijssysteem'. De huidige referentieprijs wordt vervangen door een 'toegangsprijs'. Aan die toegangsprijzen zijn opnieuw heffingen gekoppeld, die ervoor moeten zorgen dat de vroegere referentieprijs wordt gerespecteerd.

Van essentieel belang bij de vraag of het in de toekomst nog rendeert om produkten uit landen van buiten Europa hier op de markt te brengen, is de vraag hoe hoog de entreeprijzen liggen. Die prijs moet de importeur immers halen om te ontkomen aan snel oplopende heffingen. Duidelijk is dat de Zuideuropese landen bij de onderhandelingen in Brussel over de vaststelling van die entreeprijzen goed hebben opgelet. Uit berekeningen van de Nederlandse Vereniging voor de Fruit- en Groentenimporthandel blijkt bijvoorbeeld dat de toegangsprijs voor citroenen op 1,32 gulden per kilo ligt, terwijl de feitelijke produktieprijs - ooit het uitgangspunt - op 68 cent ligt. “Wil een importeur ontkomen aan heffingen, dan moet hij in het nieuwe systeem al met al een prijs zien te realiseren van 1,68 gulden voor een kilo citroenen Het is dus niet verwonderlijk dat de importeurs sinds de invoering van het nieuwe systeem voor citroenen binnen de Europese grenzen geen markt meer weten te vinden voor citroenen van buiten de Unie”, aldus Schoneveld. De entreeprijs voor sinaasappels, die vanaf 1 december gaat gelden, ligt dertig procent hoger dan de referentieprijs die tot nu toe gold. “Naar verwachtig zullen de komende winter voor de consument dus alleen Europese sinaasappelen betaalbaar zijn, als er al andere worden geïmporteerd”.

Waar in het nieuwe systeem geen rekening mee wordt gehouden is de samenhang tussen de prijs en de kwaliteit van een produkt. Hoogwaardige sinaasappels uit de Verenigde Staten bijvoorbeeld zullen zonder veel problemen kunnen worden geïmporteerd, omdat de prijs die de importeur ervoor betaalt zo hoog ligt, dat hij geen problemen krijgt met de toegangsprijs en de daarmee samenhangende heffingen. Dat ligt anders met de mindere kwaliteit van bijvoorbeeld appels en peren uit Chili en Argentinië, sinaasappels uit Cuba en Cyprus en citroenen uit Argentinië, Turkije en Uruguay. Uit die landen kan in de toekomst nog maar moeilijk worden geïmporteerd.

“Dat heeft niet alleen gevolgen voor de consument, in het geval van Nederland zal met name de Rotterdamse haven harde klappen krijgen door het nieuwe systeem. Chili geldt als grootste exporteur van fruit in de wereld. Na de Verenigde Staten is Nederland de grootste importeur van Chileens fruit, dat voor het merendeel weer wordt doorgevoerd naar het Europees achterland. Vorig jaar bijvoorbeeld kwam hier 60.000 ton appels, 60.000 ton druiven en 40.000 ton peren uit Chili aan. Voor de handelsstromen uit alle landen in Midden- en Zuid-Amerika is Rotterdam van groot belang. Via de Rotterdamse haven werd vorig jaar ongeveer één miljoen ton fruit uit derde landen geïmporteerd”, zegt Schoneveld. Daarmee is de Rotterdam voor fruitprodukten - bananen niet meegerekend - veruit de grootste (overslag-) haven van het Europees continent. Om die positie te behouden liggen er grootse investeringsplannen klaar voor de Fruit Terminal aan de Merwehaven.

Gegeven de grote subsidiestromen, die vanuit Brussel naar Zuideuopese landen gaat én de marktbescherming van Zuideuropese produkten via het nieuwe entreeprijzenstelsel vrezen de importeurs dat Nederland de greep op de internationale handelsstromen gaat verliezen. “Als het zwaartepunt van de handel naar het zuiden van Europa zakt, zal dat ook van betekenis zijn voor de nationale teelt, die maar voor een klein deel naar de thuismarkt gaat. De Noordeuropese landen, die zich voorstander tonen van een werkelijke vrijhandelspolitiek zullen in Brussel een blok moeten gaan vormen tegen de zuidelijke lidstaten”, vindt Schoneveld.

Overigens blijft het waarschijnlijk niet bij deze maatregel. In Brussel circuleren voorstellen om in de toekomst te gaan werken met een certificatenregeling, ofwel invoerlicenties. Importeurs die groenten of fruit van buiten de EU betrekken moeten dan beschikken over een licentie voor de betreffende partij. Tegenover het verkrijgen van zo'n licentie dient de importeur een 'garantie-bedrag' te storten. Als de partij niet wordt verhandeld binnen de termijn die vastzit aan de licentie, is de importeur zijn garantie-bedrag kwijt. Daarbij komt dat aan de aanvraag voor een licentie een temijn vast zit van vijf dagen. Dat licentie-systeem zou moeten gaan gelden voor de invoer, maar ook voor de uitvoer van landbouwprodukten.

“Die termijnen zijn voor fruithandelaren natuurlijk een doodsteek. Je kunt immers met bederfelijke waar niet dagen gaan zitten wachten tot je licentie afkomt”, aldus Schoneveld. “Maar het past wel in de Zuideuropese strategie om de import van fruit uit derde landen volstrekt onmogelijk te maken”.