Erfgoed

EDZARD GELDERMAN en JAAP HAGEDOORN (red.): Een aardsch paradijs. De buitenplaatsen Boschwijk, Landwijk en Veldwijk nabij Zwolle

184 blz., geïll., Waanders 1994, ƒ 49,50

Ze waren gelukkig getrouwd, Ockje Groeneveld en Rhijnvis Feith, al liepen hun gevoelens nogal uiteen. Eens legde hij, de romanticus, verrukt over het heerlijke maanlicht dat door de bomen van Boschwijk streek, zijn hand op haar knie en vroeg: “Voel je niets?” “Joawel Feith”, antwoordde Ockje, “ie kniept mien in de biene.”

De anekdote staat in het boek dat is gewijd aan drie buitenplaatsen in het kerspel ten oosten van Zwolle, gelegen aan de oude weg naar Twente: Landwijk, Boschwijk en Veldwijk. Ze dateren van de achttiende eeuw, toen welgestelde stedelingen buitenhuizen op het platteland lieten bouwen, niet alleen als belegging of statussymbool, maar ook om er onbekommerd de zomerdag door te brengen.

Het boek is samengesteld op initiatief van de Stichting familiearchief en collectie Gelderman, vernoemd naar het Zwolse geslacht dat nauw betrokken was bij de transformatie van dit stukje Overijssel tot lommerrijke buitenplaatsen. Het bevat een gedetailleerd overzicht van de geschiedenis van de bouw (auteur: Ben Olde Meierink), de bewoning (Jan ten Hove) en de tuin- en parkaanleg (Heymerinck Tromp). De titel is ontleend aan een brief uit november 1820 van een trouwe bezoeker van Landwijk, die meldde: “Alles stond wel, en het schone weder maakte het tot een aardsch paradijs”.

Het interessantst en best gedocumenteerd zijn de passages over Boschwijk. Dit landgoed, destijds circa 300 hectare groot, geldt als de bakermat van het literaire oeuvre van Rhijnvis Feith. Hij moest nog dertig worden toen hij het in 1781 erfde van een neef van zijn moeder. En die neef had het van zijn ouders, onder wie aan moederskant een Gelderman.

Voor het geld hoefde Feith niet te werken. De zomers - op Boschwijk - konden hem dan ook niet lang genoeg duren. Dat gold zeker vanaf 1787, het jaar waarin stadhouder Willem V in Zwolle de aanval van de Patriotten op zijn machtspositie afsloeg en zo tevens een einde maakte aan de kortstondige politieke carrière van Feith als Zwols magistraat.

Gedesillusioneerd trok hij zich terug uit het openbare leven. “Graag wilde ik mijne overige levensdagen, die ik mij vleie niet zeer veelen meer te zullen zijn, in zielrust en de kalmte van een onbevlekt geweten doorbrengen. Ik heb dus de partij gekozen om stil en afgezonderd, zo veel mij doenlijk is op het land te leven, zonder mij met iets hoegenaamd meer te bemoeien”, schreef Feith een jaar later. Op Boschwijk vond hij troost voor zijn loodzware gemoed en inspiratie voor zijn dichterschap.

Een aardsch paradijs laat zich lezen als een langgerekt pleidooi voor rehabilitatie van deze culturele erfgoederen. Daarmee richten de samenstellers zich ook tot de overheid. Want als het minister Van Aartsen (landbouw, natuurbeheer en visserij) ernst is met zijn recente plan om het Nederlandse landschap op te frissen met 'nieuwe buitenplaatsen', dan biedt de oostflank van Zwolle wellicht een uitgelezen kans eerst eens te beginnen met het behoud van bestaande buitenplaatsen. Voor Landwijk en Boschwijk zou dat nog net op tijd kunnen zijn, want beide zijn, hoewel beroofd van hun oude luister en danig gekortwiekt, als landhuizen nog min of meer intact. Ze doen tegenwoordig dienst als particuliere tuinderij (sinds 1953), respectievelijk gemeentelijke woning (sinds 1949). Veldwijk werd al in 1856 gesloopt.