Enthousiaste ronde van Gallia

M.A. WES: Caesar in Gallië, God in Frankrijk. Notities van een toerist

219 blz., geïll., Ambo 1995, ƒ 39,90

De liefde van Nederlandse oudhistorici voor de stripfiguur Asterix kent geen grenzen. Sinds jaar en dag worden de avonturen van de onoverwinnelijke Galliër als illustratie gebruikt in hoorcolleges en syllabi over Romeinse geschiedenis. Wetenschappers op zoek naar een groter lezerspubliek doorspekken hun artikelen over het soldatenleven of de antieke economie met verwijzingen naar klassieke albums als Het eerste legioen en Obelix en co. En aan de Universiteit van Amsterdam begon twee maanden geleden zelfs een werkcollege (7 studiepunten), waarin de strips van René Goscinny en Albert Uderzo geanalyseerd worden als historische bron. Asterix in Academia.

Ook M.A. Wes, hoogleraar oude geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, verwerkt een flinke dosis Asterix in het onlangs verschenen Caesar in Gallië, God in Frankrijk. Niet ten onrechte, want zijn onderwerp is de cultuur en archeologie van Romeins en pre-Romeins Frankrijk, en daaraan hebben Goscinny en Uderzo memorabele pagina's gewijd. In hoofdstuk 12 van zijn boek bespreekt Wes in het kort het album De Romeinse lusthof, waarin Asterix het opneemt tegen de corrumperende invloed van decadente Romeinse immigranten, en de eerste pagina's van De kampioen, die een beeld schetsen van de moeizame romanisering van de Gallische stammen.

Hij laat zien dat in de strips de Gallo-Romeinen die met de bezetter collaboreren steeds aan het kortste eind trekken, en dat de onafhankelijke status van 'het dorpje dat wij zo goed kennen' een voorbeeld is van historisch wensdenken. Want, schrijft Wes: “De Fransen hebben de nederlaag van Vercingetorix en zijn Galliërs tegen de Romeinen van Julius Caesar nooit echt geaccepteerd.”

Die nederlaag was overigens totaal. Na de verloren slag om Alesia (52 v. Chr.) waren de merendeels Keltisch-sprekende Galliërs binnen enkele generaties volledig geromaniseerd. Ze spraken Latijn, bouwden Romeinse steden, dienden in de legioenen, vergaten hun religieuze gebruiken - Wes besteedt in zijn eerste hoofdstukken veel aandacht aan de pre-Romeinse koppensnellersrituelen - en waren al in de eerste eeuw na Christus zulke betrouwbare bondgenoten dat keizer Claudius in een beroemde toespraak voorstelde om Gallische aristocraten toe te laten tot de Senaat van Rome.

Caesar in Gallië, God in Frankrijk geeft in korte hoofdstukjes een overzicht van de Gallo-Romeinse cultuur, en daarmee van het dagelijks leven in de provincie in de keizertijd. Dat is vaker gedaan, maar het aardige van Wes is dat hij bij al zijn beschouwingen uitgaat van archeologisch materiaal dat terug te vinden is in bekende en onbekende musea (schedels, reliëfs, mozaïeken), of nog steeds staat te pronken in het Franse landschap (het amfitheater van Nîmes, de triomfboog in Saintes). Zo is een in Narbonne tentoongestelde marmerplaat, voorzien van een afbeelding van twee beren in een circusnummer, het uitgangspunt voor een verhaal over de ontwikkeling van het dierengevecht in de Romeinse arena. En een bezoek aan de Pont du Gard leidt tot een gedetailleerde geschiedenis van het aquaduct van Nîmes, eindigend met de conclusie dat het “is bezweken aan drie ongeneeslijke kwalen: aderverkalking, slecht onderhoud en christelijk middeleeuws vandalisme”.

'Notities van een toerist', luidt de ondertitel van Caesar in Gallië, God in Frankrijk. Wes, die zegt geen reisgids te hebben willen schrijven, geeft daar zelf een verklaring voor: anders dan een reiziger, die ontdekkingen doet, gaat een toerist op zoek naar wat anderen hebben ontdekt; en dat is precies wat hij heeft gedaan op het gebied van de archeologie. Tegelijkertijd maakt de ondertitel ook duidelijk dat hij met dit boek geen wetenschappelijke pretenties heeft.

Voor iedereen die meer wil weten van het provinciale theaterleven, de Romeinse badcultuur of Keltische knekelhuizen is er een literatuurlijstje aan de meeste hoofdstukken toegevoegd; maar ook dat doet niets af aan het vakantiegevoel dat Wes' ronde van Gallia oproept. De toon van Caesar in Gallië... is los. Dat maakt het boek toegankelijk, maar ook af en toe vermoeiend - vooral wanneer de auteur met spreektaal van het type 'laten we nu eens kijken naar...' zichzelf te nadrukkelijk tussen de lezer en de tekst posteert. Ook de humor is bij Wes soms slecht gedoseerd. Om de woordspelige hoofdstuktitels ('Koppen met spijkers', 'Helden op sokkels') valt nog te glimlachen, maar wanneer ter illustratie van een antiek gebruik voor de zoveelste keer een lollige moderne parallel uit de kast wordt getrokken ('Een antiek geval van Basic Instinct, bijna') verlang je naar een professor die wat minder cabaretier wil zijn.

Gelukkig blijft cabaret uiteindelijk bijzaak in Caesar in Gallië, God in Frankrijk. En hoewel Wes' 'notities van een toerist' stilistisch de mindere zijn van de Wandelingen door de antieke wereld van F.L. Bastet (waaraan ze erg doen denken), bieden ze dezelfde combinatie van enthousiasme en kennis van zaken. Voor iedere klassiek geïnteresseerde Frankrijkganger is deze goed geïllustreerde gids voor Romeins Gallië dan ook ideale vakantielectuur.

    • Pieter Steinz