'EMU mag niet tot tweedeling binnen EU leiden'

Volgens het Verdrag van Maastricht zullen de lidstaten van de Europese Unie uiterlijk in 1999 een belangrijke sprong nemen bij hun monetaire samenwerking. Onder leiding van de Belg Alexandre Lamfalussy bereidt het Europese Monetaire Instituut (EMI) in Frankfurt de komst van de gemeenschappelijke Europese Munt voor. Het EMI zal dan worden omgevormd tot Europese Centrale Bank. Hoe gaat de overgang naar de monetaire unie in zijn werk, welke hordes zijn er nog te nemen, welke landen kunnen er mee doen? Valt de Europese Unie uiteen in een groep van monetaire have's en have not's? Een vraaggesprek met de voornaamste wegbereider van de EMU in Frankfurt.

Tussen het besluit over welke landen deelnemen aan de muntunie per 1999 en het daadwerkelijk fixeren van de wisselkoersen van die landen, ligt een gat van ongeveer een jaar dat nodig is voor de voorbereidingen. Een besluit voor de EMU in 1999 moet dus begin 1998 of zelfs eind 1997 al worden genomen. Waar ligt dat aan?

“Dat ligt aan de voorbereidingen die pas van start kunnen gaan als duidelijk is welke lidstaten er mee doen. In sommige landen zijn parlementaire besluiten noodzakelijk voor bijvoorbeeld het instellen van financiële reserveverplichtingen voor de commerciële banken. Ook het systeem dat nu wordt ontwikkeld voor betalingen tussen banken en centrale banken onderling, kan pas worden getest als vast staat wie de deelnemers zijn. En dan zijn er nog politieke kwesties als de keuze van de vier tot zes leden van het bestuur van de Europese Centrale Bank, onder wie de president, die naast afgevaardigden van de centrale banken van de deelnemers zitting nemen (naar het model van de Bundesbank, red.). Pas nadien kan de centrale bank werkelijk worden opgebouwd.”

Betekent dit dat de EMU op de vroegst mogelijke datum van 1 januari 1997 technisch al bijna onhaalbaar zou zijn geweest?

“Als de lidstaten van de Europese Unie toch nog 1997 als begindatum van de Economische en Monetaire Unie zouden verkiezen, hetgeen steeds minder waarschijnlijk is, dan zou de werkelijke start pas eind 1997 of begin 1998 hebben kunnen plaatsvinden.”

Nadat u in april van dit jaar gewag maakte van de noodzakelijke periode tussen het politieke besluit en de invoering van de EMU, en de ministers dat op de informele bijeenkomst in Versailles bevestigden, leefde al snel de vrees op voor een ongekende golf van speculaties op de valutamarkt in die periode. De handelaren weten dan een jaar van te voren immers al welke munten er mee gaan doen, maar nog niet tegen welke ondelinge koers.

“De markten zullen in die periode zeker gaan testen welke wisselkoersen er op 1 januari 1999 zullen prevaleren. Dat kan een probleem worden, en we hebben er nog geen antwoord op. Maar de hevigheid van de speculaties kan worden gelimiteerd. Het is per slot van rekening de bedoeling dat de landen die gaan deelnemen voldoen aan de convergentiecriteria van het Verdrag van Maastricht.” (Begrotingstekort niet hoger dan 3 procent van het bruto binnenlands produkt; de staatsschuld niet hoger dan 60 procent van het bbp of structureel dalend; inflatie en kapitaalmarktrente niet substantieel hoger dan het gemiddelde van de laagste drie landen en twee jaar lang geen devaluaties, red.)

“Juist het feit dat alle deelnemende landen aan die criteria voldoen zou reden moeten zijn voor slechts marginale fluctuaties in de onderlinge wisselkoersen. Een goed voorbeeld is Oostenrijk, waarvan ook al lang bekend was dat het zich begin dit jaar zou aansluiten bij de Europese Unie, en daarmee bij het Europese Monetaire Stelsel. Omdat Oostenrijk er al jarenlang in is geslaagd de pariteit tussen de shilling en de Duitse mark te handhaven, is er aan de vooravond van de Oostenrijke toetreding geen sprake van speculatie in de shilling geweest.”

“De suggestie om al bij het besluit over deelname aan de EMU een indicatie te geven van de onderlinge wisselkoersen per 1 januari 1999 kan evengoed voor problemen zorgen. Dat zou een ongelimiteerde steun van elkaars valutakoersen impliceren gedurende het tussenliggende jaar, en komt in feite al neer op het voeren van een gezamenlijke monetaire politiek voordat de EMU er daadwerkelijk is. Er is geen makkelijke oplossing voor dit probleem.”

De economische vooruitzichten voor Europa zijn minder rooskleurig dan begin dit jaar nog leek. Dat heeft invloed op de gezondheid van de overheidsfinanciën in Europa. Betekent dit dat meer landen het moeilijk krijgen om aan de criteria te voldoen?

“Het fundamentele probleem ligt bij de begrotingscriteria. Het voldoen aan de inflatiecriteria wordt niet gehinderd door een mogelijke recessie, het beperken van de tekorten wel. Daarom beklemtonen we ook dat in voorspoedige jaren als de huidige de lidstaten harder moeten bezuinigen, om in tijden van tegenspoed nog enige rek in de begroting te hebben. Ik denk niet dat we het zouden accepteren dat straks, als de meetlat naast de overheidsfinanciën wordt gelegd, een land door een recessie even boven een begrotingstekort van drie procent uitkomt.”

De Franse premier Alain Juppé wekte vorige maand na zijn aanstelling de indruk de werkloosheid in Frankrijk tot prioriteit van het regeringsbeleid te maken. Dat zou desnoods ten koste moeten gaan van een hoger begrotingstekort. Werpt dat een schaduw over de mogelijkheid voor Frankrijk om tijdig aan de begrotingscriteria te voldoen?

“Juppé zei ook dat Frankrijk de criteria op tijd zal halen. Dat betekent dat hij in de praktijk maar weinig ruimte heeft. Als eind 1997 al een besluit valt over de EMU, dan wordt de mogelijkheid tot deelname gebaseerd op de gerealiseerde begrotingcijfers over 1997 en een schatting voor de resterende maanden van dat jaar. Voor een tussentijdse beleidsverandering heeft de Franse regering dus slechts anderhalf jaar; 1996 en het resterende deel van dit jaar.”

Ook Italië wil zich, zo blijkt uit de begrotingsplannen van de Italiaanse premier Dini, inspannen om in 1999 mee te kunnen doen. Is dat haalbaar?

“De plannen van Dini zijn heel positief. Maar er zijn zeer harde maatregelen nodig om dat doel te bereiken. Ik vind het moeilijk om daar uitspraken over te doen, maar als oprichter van de EEG zou Italië in feite mee moeten doen.”

Hoe groot is de kans dat de criteria uit politieke overwegingen toch iets worden verruimd?

“Die kans is nihil. Maar dat geeft tegelijkertijd een groot dilemma aan. We hebben een doel: in de EMU komen alleen de landen die werkelijk aan de criteria voldoen. Maar we willen geen tweedeling tussen de groep landen die straks in de monetaire unie zitten en de lidstaten daarbuiten. Het is onwenselijk wanneer de lidstaten buiten de EMU-groep te maken krijgen met een reële depreciatie van hun wisselkoersen tegenover de gemeenschappelijke munt.

De Belgische minister Philippe Maystadt waarschuwde in dat kader vorige week voor een scheidslijn tussen de twee groepen EU-lidstaten, die zou kunnen leiden tot handelsbarrières door de EMU-landen om de gevolgen tegen te gaan van concurrerende depreciaties van EU-landen die niet aan de gemeenschgappelijke munt meedoen.

“Dat is wel erg gespierde taal. Hoewel de koersen van de munten van landen als Zweden, Italië, het Verenigd Koninkrijk of Spanje in reële termen fors zijn gedaald, zijn dergelijke depreciaties en devaluaties tot nu toe nooit door die landen zelf nagestreefd. Dit neemt niet weg dat een succes van de EMU een bedreiging kan worden voor de Europese Unie. Dat betekent dat de relaties tussen de EMU-landen en de overige EU-lidstaten moeten worden onderzocht. De voornaamste vraag is, hoe je kunt zorgen dat de landen buiten de EMU-groep straks nog steeds de EMU-criteria blijven nastreven, en zo niet op een steeds verdere achterstand komen.”

“Ik denk dat er een mechanisme zou moeten komen tussen de gemeenschappelijke munt en de munten van de EU-landen buiten de monetaire unie dat vergelijkbaar is met het huidige Europese Monetaire Stelsel, waarin de munten binnen een bepaalde bandbreedte aan elkaar gekoppeld blijven. De wisselkoersfluctuaties zouden daarbij kunnen worden gebaseerd op reële wisselkoersen (waarbij geleidelijke waardevermindering door inflatieverschillen is toegestaan, red.). Bovendien moet de monetaire unie een open systeem zijn waar iedere lidstaat zich in een later stadium bij kan aansluiten.”

“Alleen daarom al prefereer ik de datum van 1999 boven die van 1997. Met die twee jaar extra tijd is er in landen als Italië en Spanje meer vooruitgang geboekt bij het nastreven van de Maastricht-criteria. Als er nu met acht landen zou zijn begonnen, dan had je echt een tweedeling in de Europese Unie veroorzaakt.”

Niet alleen het nastreven van begrotingsdiscipline buiten de EMU, maar ook binnen de EMU is een toekomstig probleem. Hoe dwing je straks discipline af bij de lidstaten die al binnen de monetaire unie zijn?

“In de commissie van de toenmalig voorzitter van de EU, Jaques Delors, waar een blauwdruk werd gemaakt voor de discussie over de muntunie, heb ik al eens een rapport geschreven met als titel 'Begrotingsbeleid in de EMU'. Ik sympathiseer dan ook wel met de Duitse bezorgdheid over de begrotingsdiscipline van de landen die eenmaal binnen de EMU zijn, en de gevolgen voor de hardheid van de gemeenschappelijke munt als die discipline wordt nagelaten. Maar als iedere kandidaat al vijf jaar lang begrotingsdiscipline heeft getoond, dan is dat al een basis voor vertrouwen.

Nadat de EMU van start is gegaan, rest vooralsnog alleen de zogenoemde 'excessieve tekortprocedure', die nu al in de EU van kracht is als landen niet aan het begrotingscriterium voldoen. Maar de vraag blijft: stel, we beginnen met zes of zeven landen. Wat gebeurt er dan als een van de grotere landen in die groep zijn begroting fors overschrijdt? Dan zouden de anderen met een hogere rente worden gestraft voor de fouten van de één. Ik denk dat dit probleem pas dan moet worden opgelost, als het acuut is en de belangen duidelijk zijn. Het van te voren regelen van dit punt, bijvoorbeeld door het openbreken van het Verdrag van Maastricht, is geen optie. Dan opent men een Doos van Pandora.''

Wordt de Europese Centrale Bank vergelijkbaar met het Amerikaanse stelsel van centrale banken, de Federal Reserve Board?

“Dat is nog moeilijk te zeggen. De keuze voor de systematiek van de Europese Centrale Bank is nog niet gemaakt. Op dit moment zijn er veel verschillen in de wijze waarop de centrale banken in Europa hun beleid ijken en uitvoeren, hoe de reservestructuur in elkaar zit en hoe zij opereren op de geldmarkt. In de herfst van dit jaar doen we hier de eerste voorstellen voor.”

De zwakte van de Amerikaanse dollar heeft al geleid tot speculaties dat de ecu de leidende rol van de Amerikaanse munt in de wereldeconomie zou kunnen overnemen. Gelooft u dat?

“Misschien is het mogelijk, en gebeurt het ook wel, maar het is niet ons doel. De ecu wordt een munt die even hard is als de Duitse mark, maar een breder economisch draagvlak heeft dan alleen Duitsland. Maar ik ben niet een van degenen die de overname van de rol van de dollar actief nastreven. Er zitten veel nadelen aan.”