Duurzaamheidsverdrag

NEDERLAND HEEFT met drie ontwikkelingslanden - Benin, Bhutan en Costa Rica - een verdrag gesloten inzake duurzame ontwikkeling. De deelnemende landen verklaren zich bereid te streven naar een milieubeleid op basis van gelijkwaardigheid en wederkerigheid. Deze zogenoemde duurzaamheidsverdragen zijn iets nieuws. Minister Pronk (ontwikkelingssamenwerking), die dit initiatief nam na de VN-milieuconferentie in Rio de Janeiro (1992), verzekerde de Tweede Kamer deze week dat er geen sprake is van hobbyisme, maar dat het “vernieuwend, boeiend, spannend en katalyserend” is, een nieuwe vorm van ontwikkelingssamenwerking.

Op zichzelf is het een interessant initiatief. De geselecteerde landen in Afrika, Midden-Amerika en Azië hebben een hanteerbare omvang en op het gebied van milieubeleid valt er nuttig werk te doen. Het ecologische systeem in deze landen is kwetsbaar maar niet hopeloos verpest. Met een beetje goede wil, deskundigheid en geld kunnen daar aardige dingen worden gedaan. Nederland stelt een bescheiden bedrag - 26 miljoen gulden per jaar - beschikbaar en er is een bureautje opgezet om de uitvoering van de verdragen ter hand te nemen.

Aan de duurzaamheidsverdragen zitten ook merkwaardige ideologische kanten. Het uitgangspunt van gelijkwaardigheid en wederkerigheid leidde in de Tweede Kamer, die de verdragen moet goedkeuren, tot een discussie of de Planologische Kernbeslissing voor de uitbreiding van Schiphol nu ook in het Dzongkha - de taal van Bhutan - moet worden vertaald, of Costa Rica doorslaggevend bezwaar kan maken tegen de aanleg van de Betuwelijn en wat Nederland zal doen als Benin een vermindering van de CO-uitstoot eist. Aan de andere kant vatten sommigen deze verdragen op als een aanmoediging om van Nederlandse kant op de superieure toer te gaan en Costa Rica, Benin en Bhutan eens even te vertellen hoe ze hun eco-systeem dienen te bewaren.

DEZE PRETENTIES van de duurzaamheidsverdragen zijn modieuze onzin. Met alle respect voor de souvereiniteit van de deelnemende landen, de gelijkwaardigheid is niet aanwezig als één land het geld levert en de andere drie ontvangers zijn. De wederkerigheid bij de inspraak tussen Benin, Costa Rica, Bhutan en Nederland is ook gekunsteld. Dat is leuk voor particuliere hulporganisaties, maar niet voor overheidsbeleid. Nederland kan beter de realiteit van de verhoudingen onder ogen zien in een open dialoog. Dan is het een uitstekend idee om wat aan het milieu te doen in drie aardige ontwikkelingslanden. En, los daarvan, in eigen land.