Boliviaanse cocaboeren strijden tegen de armoede; Groen goud in het oerwoud

Amerika dreigt zijn hulp aan Bolivia stop te zetten als de verbouw van coca niet vermindert. De veelal arme Indianen zijn bang voor de pressie die de Boliviaanse regering op hen uitoefent, maar planten onderwijl steeds meer cocavelden aan. “Er zit te veel winst in.” Aan de bron van de verslaving: een bezoek aan de cocaïne-fabrieken.

In rap tempo loopt Fernando Itonamas door het regenwoud, vervaarlijk zwaaiend met zijn kapmes om een paar takken weg te slaan. De dichte tropische plantengroei onttrekt het snel stijgende pad aan het gezicht. Dan ineens, als we bijna op de top van de heuvel zijn, breekt het zonlicht door. Enkele Amazonepapegaaien, die zich in de takken hadden verscholen, vliegen luid kwetterend op. Beneden ons ligt het uitgestrekte regenwoud van de Boliviaanse Chapare-vallei. “Daar gaan we heen,” wijst Fernando. We zijn op weg naar een van de illegale cocaïnefabrieken die in het bos verborgen liggen.

Itonamas is een van de talrijke Quechua-indianen die zich op de produktie van coca hebben toegelegd. De kleine cocaïnefabriekjes die in het bos liggen produceren cocaïnebase, dat tot zeventig procent zuivere cocaïne kan bevatten. Maandelijks haalt een handelaar het spul met een Cessna-vliegtuigje op voor de verdere zuivering in een ander laboratorium, de laatste stap van het chemische proces.

De Chapare-vallei, aan de rand van het Amazonegebied, beslaat 2,5 miljoen hectare en is het belangrijkste produktiegebied van cocabladeren in Bolivia. Ruim 25.000 hectare coca werden de afgelopen tien jaar vernietigd; tenminste 32.000 hectare nieuwe cocavelden kwamen erbij.

Verspreid over de vallei liggen de dorpen van de campesinos, de kleine boeren van Indiaanse afkomst. Vaak zijn de nederzettingen alleen met een muilezelpad dwars door het regenwoud bereikbaar. Even buiten het dorp liggen de akkers met maniok, ananas of cocastruiken. Het gesprek van de dag gaat over de coca. De boeren voelen zich bedreigd door de regering, die de drugshandel harder wil gaan aanpakken.

De spanning bereikte de afgelopen weken een climax. De Boliviaanse onderwijzers waren al maandenlang aan het staken toen op 18 april de regering voor negentig dagen de staat van beleg afkondigde. Tientallen vakbondsleiders werden gearresteerd, onder wie Evo Morales, leider van de federatie van cocaboeren, en met de onderwijsbond is een overeenkomst gesloten.

Aanleiding voor het conflict tussen regering en cocaboeren is een eis van de Verenigde Staten om vóór eind juni 1750 hectare cocaveld te vernietigen. Anders zullen de VS hun steun aan multilaterale hulpprojecten voor Bolivia intrekken. De cocaboeren zijn woedend. “Deze politiek treft duizenden families. Zij hebben op korte termijn geen alternatief om te overleven,” verklaarde Felix Santos, leider van de boerenvakbond.

Het pad slingert nu snel naar beneden. Het regenwoud is dicht. De takken zijn begroeid met bromelia's en sliertige korstmossen. Hier en daar staat een verwilderde bananenplant. Op een open plek komen kleine kiemplantjes op. 'Coca', zegt Fernando. Zes jaar lang zullen de planten drie tot vier oogsten per jaar geven. Na een tijd wordt het struikgewas dichter. Tot op het laatste moment is er niets verdachts te zien. Dan ineens: “We zijn er”. Onder het bladerdak voor ons liggen de werkplaatsen. De grote bakken waarin de cocabladeren worden gemengd met de chemicaliën zijn gemaakt van bamboestokken met daarin een zeil geklemd. Er omheen is het één grote modderpoel. Plastic jerrycans en roodblauw gekleurde zakken met chemicaliën - kerosine en zwavelzuur - slingeren in het rond. Even verderop ligt een berg slijmerige grauwgroene drek van resten cocablad. Uit een van de plassen sijpelt een klein stroompje met gemorste chemicaliën weg. Fernando schopt een paar bierflesjes aan de kant. “Er is vannacht nog gewerkt,” zegt hij.

Vijf mensen werken er meestal per fabriekje. Eén van hen is de 'chemicus', die voor de juiste mengverhoudingen zorgt. De anderen zijn 'pisadores', die de bladerenmassa fijnstampen. Ze stampen op hun blote voeten, urenlang. Ze verdienen nog geen tientje per nacht. Uiteindelijk levert een nacht werken een kilo cocaïnebase op. De opbrengst daarvan (zo'n 1200 gulden) gaat naar de eigenaar van de werkplaats.

Het hele fabriekje neemt niet meer dan vijftig vierkante meter in beslag. Even verderop zijn andere werkplaatsen te zien. Fernando schat dat zijn dorp alleen al er zo'n dertig heeft. Het is bijna donker als we terugkeren in het dorp. Op een pleintje wordt gevoetbald.

Premie

Ruim tien jaar geleden ging in de Chapare een omvangrijk en ambitieus hervormingsprogramma van start: “Desarrollo Alternativo - Alternatieve Ontwikkeling”. Het door de VS ondersteunde programma beoogde de boeren tot het verbouwen van andere produkten te bewegen zoals bananen, citrusvruchten en maniok. Het ontwikkelingsprogramma behelsde de oprichting van scholen en proefboerderijen om boeren te helpen bij de omschakeling. Boeren die vrijwillig met de cocateelt stopten, kregen daarvoor een ruime vergoeding. Maar de meeste cocaboeren bleven sceptisch. “We raken andere produkten eenvoudigweg niet kwijt”, is een veelgehoorde klacht.

Directeur C. F. Arauz van het Alternatieve Ontwikkelingsprogramma kan een zucht nauwelijks onderdrukken als ik het hem voorleg in het regiokantoor in Villa Tunari. Het houten huisje geeft uitzicht op de beboste hellingen van het pas ingestelde Nationaal Park Machia.

Jarenlang is Arauz bij de drugsbestrijding betrokken geweest. “Er zit te veel winst in”, zegt hij, “zelfs voor de kleine boeren.” Hij rekent het voor. “Coca levert twee keer zoveel op als bananen. Maar coca geeft wel vier oogsten per jaar.” Hij kent de verhalen dat boeren soms de premie opstrijken en vrolijk elders opnieuw met de coca beginnen. “Maar ik ken ook boeren die echt gestopt zijn. Ze krijgen hulp bij het verbouwen van nieuwe gewassen.” Hij pakt de kwartaalkrant erbij die het Ontwikkelingsprogramma uitgeeft. Er staan artikelen in over de toename in de export van sommige gewassen. Hij wijst op foto's van de cocaïnefabrieken, die een enorme milieuvervuiling veroorzaken. “Weet je hoeveel tonnen chemicaliën in het regenwoud terecht komen?”

De drugshandel bestrijden is één ding, de armoede onder de boeren overwinnen is iets anders. Het Ontwikkelingsprogramma richt zich op beide. “Er zijn succesjes te melden,” benadrukt Arauz. “Kijk naar de scholen, de medische posten. Daar is vooruitgang geboekt.”

Protestmars

Naast het aanbieden van alternatieven, gaat de strijd tegen de cocateelt onverminderd door. Agenten van de Amerikaanse anti-narcoticabrigade (DEA) ondersteunen de operaties van het Boliviaanse leger. Tijdens de operatie 'Nuevo Amanecer' (nieuwe dageraad), die in juli 1994 van start ging, werden honderden mensen vastgezet. De Quechua-indianen voerden actie op straat. “Vanuit helikopters werd traangas op ons gelanceerd, het was totale oorlog,” zegt Guido Taqui, een boerenleider. Toen een van de cocaboeren bij zijn arrestatie werd vermoord, sloeg de vlam in de pan. De twintigjarige cocaboer Felipe Pérez Ortiz bleek door een pistoolschot in zijn mond te zijn omgebracht.

Duizenden woedende cocaboeren verzamelden zich en besloten een protestmars te houden, tot aan de regeringsgebouwen in La Paz. De regeringszetel ligt meer dan zeshonderd kilometer van de Chapare-vallei vandaan, maar de boeren waren vastbesloten. Foto's tonen een lange kolonne mensen, uitgedost met kleurrijke vlaggen en spandoeken, trekkend over de oude Inca-paden met in de verte de sneeuwtoppen van de Andes. Drie weken duurde de tocht. Terugkijkend zegt Filemon Garcia: “De tocht was een offer. Soms was er geen eten en drinken. Er vielen mensen af door ziekte. Maar we moesten verder, anders zou de regering ons nooit tegemoet komen.”

In La Paz werden de cocaboeren door de bevolking als helden binnengehaald. Binnen drie dagen werd een akkoord tussen regering en cocaboeren bereikt, al bleven de afspraken vaag. “Het centrale probleem”, zei president Sanchez de Lozada, “is de extreme armoede, waarin meer dan de helft van de bevolking zich bevindt.”

Begin dit jaar sloten regering en cocaboeren een nieuw akkoord. Een aantal boeren beloofde het coca-areaal te zullen verminderen in ruil voor financiële steun. Minister Sánchez Berzaín reisde af naar Chimoré in het hart van de Chapare-vallei. “Deze boeren zijn een voorbeeld,” zei hij. De televisiecamera's draaiden volop.

Viva la coca!

Rond het middaguur kom ik aan in het dorp, vanouds een bolwerk van de cocaboeren. 'Viva la coca!' staat in fiere letters bij het marktplein geschreven. Quechua-indianen hangen rond bij de straathoeken en de winkeltjes. Op het marktpleintje worden vrolijke slingers opgehangen. Vanavond is er een carnavalsfeest.

Mijn eerste pogingen om in contact te komen met de bond van cocaboeren leveren niets op. Opvallend zijn de vele aankondigingsborden van ontwikkelingsprojecten rond het dorp. De Amerikanen werken aan de verbetering van wegen en bruggen. Een Canadese hulporganisatie heeft een veebedrijf opgezet. Even verderop hebben de Italianen een moderne proefboerderij voor tropische gewassen. Het contrast met de kleine huisjes van de boeren is groot.

's Avonds bij het feest laten de westerlingen het afweten. “Ze horen vaak bij de anti-narcoticabrigade”, zegt Román, een jonge Quechua. “Die mogen van ons thuis blijven.”

Langzaam stroomt het marktpleintje vol. Vrolijke muziek schettert vanaf het podium, kinderen rennen in het rond. Enkele Quechua-vrouwen voeren een traditionele dans uit. Kannen met chicha, het populaire alcoholhoudende maïsdrankje van de cocaboeren, gaan de tafel rond. Vanmiddag keken de indianen afstandelijk, nu is daar niets meer van te merken. Ik word in het Quechua aangesproken; Román vertaalt 't in het Spaans. Natuurlijk gaat het over de coca. Over het onbegrip van de westerlingen, en dat coca kauwen een oude traditie is. Net zoals hun klederdracht, hun taal, hun eigen feesten. “Het hoort bij ons,” zegt hij.

Sergio, een jonge cocaboer, is met zijn vrouw Celia aan onze tafel komen zitten. Hij is opvallend westers gekleed en blijkt bestuurslid van de bond van cocaboeren te zijn. Zijn vrouw draagt traditionele Quechua-kleding, haar kind slaapt in een kleurige doek op haar rug.

“Ja, de spanning stijgt,” zegt Sergio. “Vroeger richtte de overheid zich meer tegen de handelaren, nu op de kleine cocaproducent. De cocaboeren zijn gemakkelijk te pakken. Maar het is niet terecht. De meesten zijn arm.” De anderen luisteren aandachtig mee. Dan zegt hij strijdlustig: “We moeten een vuist maken. Onze leefomstandigheden moeten eerst verbeteren.”

Veel tijd voor een serieus gesprek is er niet. Een groepje muzikanten met grote bamboefluiten trekt ineens alle aandacht. Ze dragen roodgele poncho's, slingers over hun schouders, mutsen met oorkleppen. De chicha gaat weer rond. Tot diep in de nacht weerklinkt de muziek in het dorp.

Handelslijnen

Steeds meer boeren zijn hun akkers met coca gaan beplanten, maar de cocavelden liggen nu meer verspreid dan enkele jaren geleden. Naast de grootste twee produktiegebieden - de Chapare en de Peruaanse Huallagavallei - worden cocaplanten verbouwd op de hellingen van andere rivierdalen in Peru, Colombia en Venezuela.

Ook de handel is minder centraal geregeld dan voorheen. Tal van kleinere handelaren hebben onafhankelijk van elkaar kleinere handelslijnen vanuit de Andes-landen opgezet. De illegale handelsbedrijven zijn steeds strakker georganiseerd. Op strategische plekken worden voorraden cocaïne aangelegd, zodat de drugsbazen meteen op fluctuaties in de vraag kunnen inspelen. De in beslagname van een grote partij cocaïne heeft nauwelijks effect op de handel. Moderne bewakingsapparatuur beveiligt de werkplaatsen, zodat er in geval van nood genoeg tijd is om werknemers èn cocaïne naar een veilige plek te brengen. “We voeren verrassingsaanvallen op laboratoria uit, maar treffen geen mens meer aan,” klaagde onlangs een Boliviaanse kolonel.

In twintig jaar heeft de cocaïnehandel een vlucht genomen die niemand heeft kunnen voorzien. De militaire regimes in Bolivia in de jaren zeventig en tachtig hebben de opkomst van de handel krachtig gestimuleerd. Het meest vervlochten met de drugsmaffia was de regering van Garcia Meza (1980-'81), die de drugsuitvoer bij een klein groepje drugsbaronnen probeerde te concentreren. Doodseskaders rekenden met concurrerende handelaars af. Dictator Garcia Meza werd begin 1995 door Brazilië uitgeleverd aan Bolivia en zal een gevangenisstraf moeten uitzitten voor zijn gruweldaden en aandeel in de drugshandel.

De grootste drugskoning Roberto Suarez, achterneef van een bekende rubberbaron, verdiende een fortuin aan de drugshandel. Voor veel Bolivianen is Suarez een volksheld. Een keer landde hij onverwacht bij een volkswijk en gooide duizenden bankbiljetten voor de bewoners de lucht in. Hij gaf ook geld voor plattelandscholen, woningbouw en gezondheidsposten.

De burgerpresidenten die sinds 1982 het land besturen, hebben weinig kunnen uitrichten tegen de cocaïnesyndicaten. Drugskoning Suarez tartte de regering met een spectaculaire overval door vier van zijn vliegtuigen die een staatstransport van miljoenen pesos onderschepten. Volgens zijn lijfwachten was er geld nodig voor een staatsgreep. Korte tijd later liet Suarez weten dat hij het geld onder de armen van de streek had verdeeld.

Nog steeds zijn in de steden tekenen van de drugsrijkdommen te zien. De luxe restaurants en mercedessen in Santa Cruz en de fraaie villa's even buiten La Paz vallen op. Maar sinds de arrestatie van Suarez in 1988 houden de drugsbaronnen zich op de achtergrond. Legale handelsondernemingen fungeren als dekmandel voor de cocaïnehandel.

Ook de democratisch gekozen regeringen blijken geen schone handen te houden. Begin dit jaar begon het onderzoek naar de 'narcovínculos', de ministers uit de vorige regering van Paz Zamora (1989-'93) met banden met de drugsmaffia. Het dagblad El Mundo publiceerde foto's van oud-president Paz Zamora met de veronderstelde drugshandelaar Isaac Oso Chavarria. In de Chapare-vallei wordt met hoongelach op het proces gereageerd. “Daar zitten de grote vissen. De politici die onze cocavelden willen laten vernietigen, verdienen er zelf aan”, schampert een van de cocaboeren.

Lobby

De cocabond voert een actieve lobby. Afgelopen half jaar toerde een delegatie met voorman Evo Morales langs een aantal Europese hoofdsteden. Hun boodschap: de Europese markt moet open voor produkten die met coca gemaakt zijn. Niet voor cocaïne, wel voor cocathee, cocatandpasta of cocalikeur, produkten die in Bolivia al vrij verkocht worden. De Indiaanse boeren benadrukken het onderscheid tussen coca en cocaïne.

Onderzoek van de Amerikaanse Harvard Universiteit heeft aangetoond dat bij het kauwen van cocabladeren slechts weinig alkaloïde (het giftige verdovingsmiddel) door het bloed wordt opgenomen en des te meer gezonde bestanddelen als eiwitten, mineralen en vitaminen.

Frisdrankgigant Coca-Cola gebruikt een smaakextract afkomstig van de cocabladeren. De verwerkingsfabriek in New Jersey (Stephan Chemical) staat onder streng toezicht; sinds 1903 mag de frisdrank geen alkaloïden meer bevatten. Volgens het dagblad Ultima Hora kocht het bedrijf in 1994 voor vijfhonderdduizend dollar cocabladeren in Bolivia. Coca-Cola verklaart alleen het extract op te kopen, dat onder supervisie van de Amerikaanse overheid geproduceerd wordt.

De cocabond en verschillende Boliviaanse politici pleiten ervoor om legale afzet van cocaprodukten op de wereldmarkt mogelijk te maken. Cocathee - verkrijgbaar in theezakjes - is populair in heel Bolivia. “Deze thee verdient een bredere afzetmarkt dan alleen de nationale”, vindt Morales. Zijn Europese rondreis leverde een bescheiden succes op: Portugal en Luxemburg willen de import van bepaalde cocaprodukten toestaan.

Voorlopig zal de legalisatie van de coca niet zo'n vaart lopen. Volgens sommigen ligt de sleutel bij het Alternatieve Ontwikkelingsprogramma. Dat moet anders. Er zijn wezenlijke fouten bij gemaakt, verklaarde aartsbisschop Saenz van La Paz onlangs in een interview. “De boeren moeten actieve deelnemers zijn, geen objecten. Hier en daar een proefboerderij lost niets op.”

De Quechua-Indianen in de Chapare-vallei zien weinig in het 'Amerikaanse' programma. “Wie iets verder weg woont, heeft er niets aan”, zegt Javier, cocaboer in het dorpje Copacabana dat op twee uur lopen van de hoofdweg ligt. Er is geen school, geen waterleiding. In een van de hutjes zitten enkele dorpelingen bijeen. Ze produceren maniok, citrusvruchten en coca, vertellen ze. Na een tijdje neemt een oudere vrouw het woord. “Als klein kind woonde ik hier al”, zegt ze. “Op een dag kwamen hier Amerikanen. Zij leerden ons hoe je van cocabladeren cocaïne kan maken. We hebben het er iets beter door gekregen. Het is toch niet fair zoals ze nu tegen ons te keer gaan?”

    • Ralph Rozema