Bij onze italianisanten lijkt Italiaanse herrie verdampt; IJle schetsen op economisch gebruikte vellen

Tentoonstelling: In de ban van Italië. Tekeningen uit een Amsterdamse verzameling. T/m 20 aug. Amsterdams Historisch Museum, Kalverstraat 92, Amsterdam. Di t/m vr 10-17u, za-zo 11-17u. Cat ƒ 34,50.

Alle zuidelijke herrie is er foetsie, rigoureus de bezemkast in geveegd. Kletspraatjes en scheldtirades zijn verdampt in azuurblauwe lucht. Wild gegesticuleer is teruggebracht tot loom gepeins, en nergens, maar dan ook nergens krioelen er kinderen. Op de ruim 80 tekeningen die kunstenaars uit de zestiende tot en met de negentiende eeuw in Italië maakten en die nu in het Amsterdams Historisch Museum te zien zijn, is het land geïdealiseerd tot een verstilde oase. Romeinse ruïnes, stadsgezichten, triomfbogen en standbeelden spelen de hoofdrol, en daartussendoor kiert - soms fluweelzacht, soms meedogenloos hard - het zuidelijke licht.

Want dat is de reden waarom zoveel kunstenaars eeuw in eeuw uit de Alpen overtrokken. Om de scheiding tussen schaduw en zon te vangen die zich zo helder op muren, over heuvels en valleien aftekent. Op de tentoonstelling In de ban van Italië in Amsterdam, is de zestiende-eeuwse italianisant Bartholomeus Breenbergh degene die het licht op z'n messcherpst afbeeldt. Vòòr hem hadden onder anderen Maarten van Heemskerck en Pieter Stevens in Italië verpoosd, maar Van Heemskercks ruïnes zijn eerder architectonische studieobjecten dan experimenten in clair-obscur, en Stevens' zwierige landschappen zijn doezelig, een beetje in de trant van zijn collega Paulus Bril. Breenbergh was een latere Italië-ganger. Hij verbleef tussen 1619 en 1629 in Rome, toen Bril en Stevens daar al lang zaten of alweer vertrokken waren.

Breenbergh werd lid van de Nederlandse schildersvereniging De Bentvueghels. Naast de vele bacchische 'erediensten' die deze vereniging hield, nam hij gelukkig de tijd om er met ezel en palet op uit te trekken. In de twee tekeningen van hem die op de tentoonstelling hangen, de een vermoedelijk van het Castello Bomarzo bij Viterbo, de ander van het Piazza del Popolo in Rome, drijven de gebouwen, zo lijkt het, in het licht. Landschappelijke details zijn met minuscule stipjes en streepjes weergegeven, net genoeg om herkenbaar te zijn en daardoor de zware contouren van beschaduwde gebouwen te benadrukken.

Alle tekeningen in de zachtblauw geschilderde zalen zijn afkomstig uit de particuliere verzameling van de kunsthistoricus en vroegere directeur van het Rijksprentenkabinet, I.Q. van Regteren Altena (1899-1980). Deze verzameling beslaat meer dan duizend bladen. Uit zijn specialisatie van Italiaanse tekeningen gemaakt door grotendeels niet-Italiaanse kunstenaars, zijn nu een aantal studiebladen te zien die van onder tot boven, van voor en van achteren zijn volgetekend. Genoemde Maarten van Heemskerck bijvoorbeeld, gunde zijn ruïnes nog geen glimpje lucht, maar keerde het blad papier gewoonweg om, en begon in de hemel met een nieuwe reeks monumenten. Ook Rubens spaarde z'n vel: hij deelde de voorkant van het blad in tweeën en tekende bovenaan nauwkeurig de thermen van Diocletianus, zoals ze er in zijn tijd, tussen 1600 en 1608 uitzagen. Vervolgens liep hij naar de andere kant van de Tiber, en tekende vandaar, op het stuk papier onder de thermen, de hoog op de Aventijn gelegen kerk en klooster Santa Sabina. Ten slotte draaide hij het blad nog eens om en penseelde op de achterzijde een edelman.

Behalve dit soort studiebladen, hangen er in Amsterdam onafgemaakte schetsen, zoals de twee riviergoden van Jan Lievens, maar ook uitgewerkte stadsgezichten en panoramische vergezichten. De late achttiende-eeuwer Daniël Dupré is daar een voorbeeld van. De terassen van de Villa d'Este in het vlak bij Rome gelegen Tivoli, de tombe van Cestius en de Engelenburcht in Rome zijn complete landschappen, met bomen, struiken en onweerswolken in de lucht. Dupré is echter geen kunstenaar met buitensporig veel talent. Zelfs in zijn 'vrijere' tekeningen blijft hij de keurige ambachtsman. Zijn landschappen zijn perspectivisch correct, maar lijken bevroren op papier. Parasoldennen en coniferen zijn houterige staken en mensen zijn poppetjes die onhandig op hun paard zitten, met gezichten die te veel op elkaar lijken.

Nee, dan weet de iets jongere J. A. Knip (1777-1847) veel meer sfeer in zijn vergezichten op te roepen. Knips ijle potlood- en waterverfschetsen van het stroomgebied van de Tiber horen tot de mooiste op de tentoonstelling. Knip tekent brede silhouetten in zachte kleuren en laat daar waar het voor de compositie niet absoluut noodzakelijk is, het papier maagdelijk wit. Zo ontstaan horizontaal uitwaaierende rivierlandschappen met een uitgestrekte lap wit als 'aanloop' op de onderste helft van het papier. Met een beetje fantasie kun je hierin een hel oplichtende zandvlakte onderscheiden, leeg en weids op twee verticale streepjes na. Het zijn piepkleine wandelaars die onbekommerd de ruimte trotseren.