Bezuiniging op samenwonende broers en zussen levert weinig op

Per 1 januari 1996 worden samenwonende bejaarde broers en zusters, die nu nog beiden een uitkering voor alleenstaanden ontvangen, hetzelfde behandeld als andere samenwonenden. Hun AOW gaat omlaag met 50 procent. Gijs Beets en Hanna van Solinge berekenen de opbrengst van deze bezuiniging.

Er moet wat veranderen aan het AOW-stelsel. Daar is men het in brede kring over eens. Als er niets gebeurt, wordt deze oudedagsvoorziening straks onbetaalbaar, omdat er tegenover de grote groep ouderen te weinig werkenden zullen staan. Wanneer precies de problemen rond de AOW acuut zullen worden, is nog onduidelijk. Veel dertigers rekenen er al op dat er straks voor hen niet veel over zal zijn. Particuliere verzekeraars spelen hier handig op in en bieden een scala van mogelijkheden om na het vijfenzestigste levensjaar een 'Zwitserleven' te kunnen leiden.

Volgens een recent rapport van de Internationale Arbeidsorganisatie van de Verenigde Naties (ILO) zullen de lasten van de ouderdomspensioenen zich al de komende tien jaar ontwikkelen tot 'een loden last' voor de meeste geïndustrialiseerde landen. De gevolgen van de snelle vergrijzing zouden nopen tot radicale veranderingen in pensioenstelsels.

Ook Nederland beseft dat het AOW-stelsel herziening behoeft. In het Regeerakkoord heeft het 'paarse' kabinet toegezegd in 1996 te komen met een visie op de toekomstige AOW. Hierop vooruitlopend verplichtte men zich om al in de jongste bezuinigingsronde enigszins op de AOW te bezuinigen. Het omstreden plan om AOW'ers met een pensioen of vermogen geen toeslag te geven als zij een niet verdienende jongere partner moeten onderhouden, heeft het niet gehaald, evenmin als de optie om op termijn de pensioengerechtigde leeftijd tot 67 jaar te verhogen. Wel heeft het kabinet besloten dat samenwonende broers en zusters vanaf 1 januari 1996 op dezelfde wijze zullen worden behandeld als andere (samenwonende) bejaarden. Nu ontvangen zij nog allebei een uitkering voor alleenstaanden: 70 procent van het minimumloon.

Voor samenwonende verwanten die al een AOW-uitkering ontvangen, zal de AOW vanaf 1 januari 1997 in vier halfjaarlijkse stappen worden verlaagd naar 50 procent. Nieuwe uitkeringen zullen al per 1 januari 1996 niet meer dan 50 procent bedragen. Verwacht wordt dat deze maatregel op termijn een structurele bezuiniging van 200 miljoen gulden zal opleveren. Daarnaast hopen de bewindslieden van Sociale Zaken nog eens 100 miljoen gulden extra binnen te halen door een betere controle van ouderen die met een niet-verwante partner samenwonen. Velen van hen blijken nu nog onbedoeld tweemaal de hogere AOW-uitkering voor alleenstaanden te ontvangen.

Deze maatregelen laten de structuur van het AOW-stelsel vooralsnog onveranderd. Men kiest 'toevallig' twee groepen niet-gehuwde ouderen, die thans bedoeld of onbedoeld een hogere uitkering krijgen dan gehuwd samenwonende ouderen. Het aantal ouderen dat samenwoont met een broer of zus is niet exact bekend. Datzelfde geldt voor de ouderen die met een niet-verwante partner samenwonen. Op basis van onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) kan echter wel een schatting worden gemaakt.

Rond 1990 woonde het merendeel van de 65-plussers als echtpaar (58 procent) of alleen (34 procent). Ongeveer 2 procent woonde niet-gehuwd samen met een niet-verwante partner en nog eens 2 procent woonde samen met één of meer verwanten anders dan ouders of kinderen, vermoedelijk voor een belangrijk deel broers en zusters. In beide gevallen gaat het om niet meer dan ongeveer 35.000 ouderen, hetgeen erop wijst dat het verschijnsel tamelijk marginaal is. De trends zijn overigens tegengesteld: 'niet-verwant' samenwonen is duidelijk in opmars, terwijl 'verwant' samenwonen verdwijnende is (zie grafiek).

Vooral nooit-gehuwden wonen samen met verwanten. Zeker tot aan de Tweede Wereldoorlog was het voor deze groep niet gebruikelijk een zelfstandige huishouding te voeren. Na de oorlog zijn de levensomstandigheden snel veranderd. De financiële situatie van gezinnen en alleenstaanden verbeterde aanzienlijk. Daarnaast kwam er meer aandacht voor de huisvesting van alleenstaanden. Het aantal éénpersoonshuishoudens steeg sterk, terwijl het aantal 'verwante' samenwoners daalde. In 1960 woonde circa 45 procent van de nooit-gehuwde ouderen samen met verwanten, in 1990 nog maar ongeveer 20 procent. Samenwonen met verwanten lijkt zelfs een uitstervend fenomeen. Het zijn thans vooral de oudste ouderen die met een broer of zus wonen. Sterfte speelt een grote rol; 'aanwas' vanuit jongere leeftijdsgroepen is er nauwelijks.

Waarschijnlijk mede beïnvloed door de groeiende populariteit en acceptatie van het niet-gehuwd samenwonen onder jongeren besluiten steeds meer ouderen, na het aangaan van een (nieuwe) relatie, niet te trouwen. In 1990 woonde 11 procent van de niet (meer) gehuwde mannen samen met een vaste levenspartner, in 1981 was dat 9 procent. Van de vrouwen was dat in beide jaren rond de 2 procent. Het percentage van vrouwen is veel lager omdat er - door man/vrouw-verschillen in sterfte en hertrouw - veel meer oudere niet-(meer)-gehuwde vrouwen dan mannen zijn.

De 'niet-verwante samenwoners' van nu zijn te beschouwen als voorlopers. Vooral onder jonge ouderen is het populair. Daarom zal het in de toekomst ook onder oudere ouderen populair worden. Desondanks zal rond het jaar 2000 nog steeds het merendeel van de 65-plussers als echtpaar of alleen wonen. Maximaal 20.000 ouderen zullen dan 'verwant' samenwonen. Dit aantal zal vervolgens nog verder teruglopen. Het aantal niet-verwante samenwonende ouderen zal naar verwachting stijgen tot rond 65.000.

Uitgaande van een jaarlijkse besparing van 5.500 gulden per persoon (het verschil tussen een uitkering van 70 en die van 50 procent), zal de bezuiniging voor de groep 'verwante' samenwoners rond het jaar 2000 maximaal 110 miljoen kunnen bedragen en daarna waarschijnlijk snel afnemen. Een bezuiniging van 100 miljoen op de 'niet-verwante' samenwoners wordt alleen gehaald als ervan wordt uitgegaan dat ongeveer 30 procent van hen zou frauderen. Het heeft er alles van weg dat de huidige bezuinigingsverwachtingen te positief zijn geformuleerd.