Vader zoeken tussen de wolken; Gesprek met Ted van Lieshout, winnaar van de Gouden Griffel

Voor het eerst in meer dan veertig jaar is een dichtbundel bekroond met de Gouden Griffel, de prijs voor het beste kinderboek. Ted van Lieshout kreeg de Griffel voor 'Begin een torentje van niks'. “Mijn motto is: het is erg, maar het kan allemaal nog veel erger, dus het valt reuze mee.”

Ted van Lieshout: Begin een torentje van niks. Uitg. Leopold. Prijs ƒ 24,90.

“Mijn koningschap is mij ontnomen,” zucht Ted van Lieshout met een dramatisch gebaar. De lezers van het literaire kindertijdschrift MikMak kozen hem in maart 1994 tot koning. De dichter en illustrator zou regeren vanuit kinderboekencentrum De Waag. Maar tot een kroning is het niet gekomen. MikMak werd opgeheven, de Waag ging niet door. Wel heeft Van Lieshout nu, zoals het een koning betaamt, een gouden pen. Na vier keer een Vlag en Wimpel en twee Zilveren Griffels lijkt de Gouden Griffel een logisch vervolg.

De bekroonde bundel Begin een torentje van niks (11+) gaat, net als Van Lieshouts overige werk, over de vraag hoe de 'ik', altijd een kind of een jongere, een plaats vindt te midden van de anderen. Er is een spanning tussen 'erbij willen horen' en uniek willen zijn. Van Lieshout ziet een duidelijk verschil met zijn vorige bundels: “Ik wilde veel meer een bepaalde eenheid, een versobering. Daarom heb ik ook bijna niet getekend. Op de tekeningen heeft niemand zijn ogen open. Het jongetje uit de gedichten is verinnerlijkt, met zijn ogen dicht kijkt hij in zichzelf. Het is steeds hetzelfde jongetje, dat opgroeit zonder vader. De vader is nadrukkelijk niet aanwezig.”

In het eerste gedicht slaapt de vader. Hij is dan niet meer 'de sterkste en de beste', maar lief en klein. Zijn zoon zorgt voor hem. 'Niemand had gezegd dat het mocht', maar de vader sterft. De zoon zoekt hem, verwonderd, tussen de wolken en in de kelder. En intussen groeit hij door: “De bundel gaat ook over de hartesprongetjes, de korte geluksmomenten die je als mens beleeft. Bijvoorbeeld dat er een oom, een volwassen man, tegenover je zit, die kijkt op een manier dat je denkt: die vent is een beetje verliefd op mij. Heel eventjes, dan is het voorbij, maar je onthoudt het voorgoed. (zie het gedicht 'De kaperoom') Dat 'torentje van niks' is een torentje van woorden, maar ook van bijzondere ogenblikken.”

Ted van Lieshout werd geboren in 1955 in Eindhoven en bezocht de Rietveldacademie, waar hij werd opgeleid tot illustrator. In het geheim schreef hij. Hij ervaart het als een voorrecht nu beide te kunnen doen: “Het geeft een meerwaarde als de dichter zelf illustreert. Mijn tekeningen passen bij mijn visie als dichter. De gedichten moeten sfeerbepalend zijn, de tekeningen sfeerverhogend. Bij deze bundel is dat heel duidelijk: de dichter is de baas, de tekenaar hobbelt er een beetje achteraan.”

Van Lieshout had de hoop op een Gouden Griffel al bijna laten varen: “Ik dacht, misschien is dat niet weggelegd voor gedichten. Veel poëzie kun je toch niet verkopen. Als je gedichten met een griffel bekroont, weet je van tevoren dat daar kritiek op komt: dat lezen kinderen toch niet en het zijn van die moeilijke boeken. Mijn antwoord is altijd dat je dan de hele poëzie maar moet afschaffen, maar daar is natuurlijk niemand voor. Ik heb begrepen dat het in de eenenveertigjarige geschiedenis van de Gouden Griffel de eerste keer is dat hij aan een dichtbundel wordt uitgereikt.”

Hij is dan ook blij dat hij de Griffel en niet het Penseel heeft gewonnen: “Voor andere illustratoren is dat veel meer van belang. Ik teken alleen bij mijn eigen werk. Harrie Geelen, een geweldige man, zou mijn gedichten mogen illustreren. Ik ben trots dat we dit jaar samen goud hebben.

“Ik lees bijna uitsluitend jeugdliteratuur. Het zal wel beroepsdeformatie zijn. Mijn lievelingsboek is Het schaap Veronica. Annie M.G. Schmidt is de schrijfster die ik het meest bewonder. Ik heb haar nooit persoonlijk ontmoet. Ook uit angst dat ze een boek van mij zou zien en zou zeggen: nou nee, laten we maar iets anders lezen. Het is mij een keer aangeboden om de Engelse vertaling van Minoes te illustreren. Dat heb ik toen niet gedaan, uit respect. Mijn tekeningen zijn soms zo tegendraads dat ik het niet verstandig vond dat te doen. Over het algemeen ben ik niet zo bescheiden, maar dat vond ik te hoog gegrepen.

“In mijn thematiek voel ik mij verwant aan haar. Mijn motto is: het is erg, maar het kan allemaal nog veel erger, dus het valt reuze mee. Ik heb dat nodig om te kunnen schrijven: het vermogen om te relativeren. Ik was er als kind zo aan gewend dat mijn vader dood was, dat ik daar niet moeilijk over doe. Het is een vast thema in mijn werk, daar kom je als schrijver kennelijk niet van los. Maar goed, ze protesteren nog niet: Houd nou eens op met die dooie vent.

“Dat mijn broer overleed, vond ik veel moeilijker. Die was een jaar jonger. Ik probeerde erover te schrijven, maar toen merkte ik dat ik opnieuw aan het rouwen was geslagen. Voor een schrijver is 'van je af schrijven' niet voldoende. Begin een torentje van niks is mede zo goed gelukt omdat het voor mij een verademing was daaraan te werken na het geploeter aan wat ik altijd noem 'het broertjesboek'. Mijn Gouden Griffel heb ik dus voor een deel te danken aan een manuscript dat mislukte.”

Van Lieshout maakt zich, onder andere in het bestuur van de Vereniging voor Letterkundigen, sterk voor de kinder- en jeugdliteratuur. Toch heeft hij lange tijd niet geweten dat hij voor kinderen en jongeren zou gaan schrijven: “In mijn tienertijd was ik gek op Gerrit Achterberg. Ik snapte er nooit wat van, maar dat vond ik helemaal niet erg. Ik schreef ook gedichten die niemand begreep, ik dacht dat dat zo hoorde. Achterberg zette Latijnse titels boven zijn gedichten, dus ging ik ook op zoek naar Latijnse woorden in het woordenboek. Dat zag er namelijk intellectueel uit. Maar van één gedicht wist ik zelf op een gegeven moment niet meer waar het over ging.

“Toen ik voor de Blauwgeruite Kiel, de kinderrubriek van Vrij Nederland, ging werken, dacht ik: Verrek, hier hoor ik bij. Ik had mijn podium gevonden. Wat ik schreef paste kennelijk bij een jeugdiger publiek, hoewel ik niet speciaal van kinderen houd.

“Ik schrijf voor mezelf. Gedichten kunnen overal over gaan, over macaroni en masturbatie. Soms is het iets uit mijn jeugd, soms zijn het dingen die ik nu beleef maar zie met de ogen van een kind. Daarna wordt het pas echt werken; dan ga ik er als dichter naar kijken. Zolang ik schrijf vanuit het perspectief van een jongen, ben ik dat ook. Ik weet niet precies hoe dat werkt. Als ik het wist, zou ik waarschijnlijk niet meer kunnen schrijven. Dan verdwijnt de magie.”

Van Lieshout is erg gelukkig met zijn vak. Maar heel af en toe is het eenzaam, dan denkt hij dat hij beter toneelspeler of balletdanser had kunnen worden. Gelukkig kent het schrijven voor kinderen ook een sociale kant, het optreden op scholen: “De eerste keer was dat behoorlijk eng. Je denkt: dadelijk gaan ze met tomaten gooien. Maar ze vonden het leuk. Ik ben toch altijd blij dat ik ook weer weg kan. Ik hoef ze niet mee naar huis te nemen. Mensen blijven in zekere zin voortbestaan in hun nageslacht. Eigenlijk geef ik mijn genen door via mijn boeken.”

UIT: TED VAN LIESHOUT, BEGIN EEN TORENTJE VAN NIKS

Lievelingsdroom

Deze droom is mij het liefst:

dat ik zweef als een hollend hert

over straat en door plantsoen.

Kijk toch hoe ik bij gym sierlijk

haasje-over spring met de bok

maar verlos mij van het kwade amen.

Moge ik nimmer meer blootgebeende

jongens naar de overkant hoeven kruien.

Als ik met mijn handen aan hun enkels

moet komen, de geur van voeten

in mijn gezicht, zal modder

door mijn aderen stromen.