Rebel mijn hart

Onder de kop 'De dood kiest geen doorsnee' behandelde Bianca Stigter in het CS van 12 mei de tentoonstelling 'Rebel mijn hart' die nog tot 18 juni in de Nieuwe Kerk te Amsterdam te zien is. De tentoonstelling toont het werk van alle ten gevolge van de bezetting omgekomen, beeldende kunstenaars: schilders, beeldhouwers, grafici, fotografen en architecten.

Het gevoel dat na de lezing van het artikel beklijft, is dat we van geluk mogen spreken dat de kunstenaars die in '40-'45 vielen, geen goede kunstenaars waren. Dat is een zeer onrechtvaardige conclusie. Inderdaad maken de organisatoren geen onderscheid tussen jonge en oude, traditionele en avant-gardistische kunstenaars. Het gaat de organisatoren erom, al diegenen in herinnering te brengen, wier talent hoe dan ook te vroeg verloren ging. Wij mogen ons gelukkig prijzen dat met de spaarzame werken die tijdens het intensieve onderzoek voor de manifestatie zijn teruggevonden, het beeld van de Nederlandse kunstgeschiedenis van de vooroorlogse jaren wordt gecomplementeerd. De enorme variëteit aan werk van gevestigde en beginnende, modernistische en traditionele kunstenaars dat op de tentoonstelling te bewonderen valt, geeft een verrassend veelzijdig beeld van de beeldende kunst in de jaren '20 en '30: dàt is de 'doorsnede' die de organisatoren pretenderen te kunnen bieden, al stellen zij zelf nadrukkelijk dat dit natuurlijk geen volledig kunsthistorisch beeld is.

Het opvallende van de tentoonstelling 'Rebel, mijn hart' is nu juist dat de kwaliteit van de getoonde werken van deze, vaak vroeg in hun carrière gestorven, kunstenaars verrassend hoog is. Daar heeft Bianca Stigter geen oog voor. Zij beziet de werken met het oog van de naoorlogse 'connaisseur' die alleen aandacht heeft voor het 'nieuwe'. Overigens is dit een teken van gebrek aan kunsthistorisch kennis: het is algemeen bekend dat in de jaren '30 de kunst een opvallende beweging 'terug naar de traditie' doormaakte. Na de beurskrach van 1929 en de fascistische machtsovername in Duitsland in 1933 was het algemene gevoel dat de modernistische stijlen van de jaren '20 hadden afgedaan. De geëxposeerde werken van Gerrit van der Veen tonen deze ontwikkeling: Van der Veen zal zielsblij geweest zijn dat hij in de crisisjaren van het personeel van de AVRO een streng omschreven opdracht kreeg om een sierhek, vol voor de hand liggende symboliek, uit te voeren. Om deze fraai uitgevoerde opdracht te vergelijken met de schilderijen van, uitgerekend, Pyke Koch is bijzonder unfair en tendentieus.

Naschrift Bianca Stigter

Naschrift Bianca Stigter: In het artikel ging het niet om een vergelijking tussen het hek van Van der Veen en de schilderijen van Koch, maar om een vergelijking tussen het oeuvre van beide kunstenaars uit de jaren dertig. Wie een kunstenaar serieus neemt, mag zijn werk met dat van een andere kunstenaar vergelijken, zeker als, zoals in dit geval, hun werk van dezelfde stroming deel uitmaakt. Want ook de schilderijen van Koch kunnen tot de beweging 'terug naar de traditie' worden gerekend, die in de jaren dertig de beeldende kunst in Europa kenmerkte. Als Koch een beter kunstenaar wordt genoemd dan Van der Veen is dat dan ook geen gevolg van 'aandacht alleen voor het nieuwe'.

Dat er onder de kunstenaars die ten gevolge van de bezetting stierven geen goede waren, heb ik niet beweerd; wel dat er geen direct verband bestaat tussen iemands talent en iemands politieke opvattingen.