Pluto schuurt over mijn ascendant; Hendrik van Teylingen schrijft humoristisch over reïncarnatie

Hendrik van Teylingen: De verschijning van de godin Saràsvati in Hellevoet. Uitg. De Bezige Bij, 188 blz. Prijs ƒ 37,50.

Rond 1970 zag Hendrik van Teylingen het licht. Wat hij, als zoon van een predikant, in de Bijbel niet vond, dat vond hij wel in het Indische leerdicht de Baghavadgita. Dit boek was voor hem de sleutel die op alle sloten paste, de oplossing voor het wereldraadsel. De bestudering ervan leidde tot een leven als spiritualist, zoals hij in zijn nieuwe autobiografische roman De verschijning van de godin Saràsvati in Hellevoet beschrijft. Net als zijn vader indertijd wilde hij zijn heilsboodschap niet voor zichzelf houden, maar haar ook uitdragen. Maar helaas. 'Niemand wilde die wondersleutel van me aannemen, ondervond ik.'

Iedereen verslijt hem voor gek. Ook binnen de Hare Krisjna-beweging zelf is zijn leraarschap weinig succesvol. Voor een deel is dat te wijten aan het geestelijke gehalte van zijn leerlingen, want als wij Van Teylingen mogen geloven, dan was hij omringd door een verzameling 'geloftenbrekers, parasieten, kleine criminelen en gierende gekken' waartegen zelfs een heilige het zou hebben afgelegd. Maar ook aan zijn capaciteiten als goeroe schortte het een en ander. Uit het wat kleingeestige en soms zelfs klikspanerige commentaar op zijn afvallige discipelen valt op te maken dat hij zelf alle wijsheid ook nog niet in pacht heeft.

De roman is niet alleen gewijd aan het falen van zijn spirituele missie, maar ook aan de hoopvolle wending die zijn leven neemt nadat zich een leerlinge bij hem aandient, die door de godin Saràsvati zelf zou zijn gezonden.

Deze twee kanten van Van Teylingens geestelijke wedervaren, zijn povere charisma aan de ene en zijn uitverkorenheid aan de andere kant, staan met elkaar op gespannen voet. Deze 'ware geschiedenis van een folie à deux' zoals de ondertitel luidt, is geen evenwichtig verhaal over een man die na een lange, moeizame aanloop zijn bestemming en wederhelft vindt. Het is een van de hak op de tak springend, nu eens beuzelachtig, dan weer ietwat mallotig, maar overigens vermakelijk relaas van een eeuwige zoeker.

Onduidelijk is wat Van Teylingen er precies mee voor heeft. Wil hij zielen winnen voor zijn Gemeenschap? Afrekenen met zijn verleden? De mensheid verheffen? Een uitgever vinden voor zijn 'grote roman' De Chaitanya cultus die, zoals hij verontwaardigd meedeelt, door De Bezige Bij geweigerd werd? Reclame maken voor eerder werk waaruit hij royaal citeert? Ik zou het niet durven zeggen.

In het levensverhaal van Van Teylingen, ofwel Hayeesjvar Das zoals zijn geestelijke naam luidt, wemelt het van de tegenstellingen die het de lezer niet gemakkelijk maken, maar die wel voor veel afwisseling en misschien onbedoelde nuance zorgen. De nuchtere toon en de droogkomische manier van vertellen contrasteren met het soms rijkelijk zweverige gehalte van de roman, waarin aura's, chakra's en zielsverhuizingen moeiteloos gesignaleerd worden. Het streven naar verlichting wordt meer dan eens geblokkeerd door gereformeerd aandoende overwegingen over eetgewoonten, seks en geld. Onduidelijk is verder hoe serieus we Hayeesjvar Das moeten of kunnen nemen. Grotesk zijn bijvoorbeeld de nieuwsbrieven die hij schrijft over de activiteiten van de door hem opgerichte Sri Chaitanya Gemeenschap. Ook de reïncarnatieverhalen die hij opdist zijn hoogst eigenaardig. Zo zou hij in vorige levens onder meer medicijnman bij de Amazone-indianen zijn geweest en pater visitator in Avignon, terwijl hij zijn 'voorlaatste leven' sleet als tabaksplanter op Java. 'De ziel in de tabaksplanter is identiek aan die in wijlen ds. Everhardus Gerhardus van Teylingen, mijn vader in dit leven, die tussen twee preken door graag een sigaartje pafte.'

Van Teylingens grootste kracht schuilt in zijn aanstekelijke gevoel voor humor, dat aan deze bizarre geschiedenis elke zwaarte ontneemt. Onveranderlijk geestig zijn, net als in zijn vorige roman Depot voor discipline (1990), de passages gewijd aan zijn steile jeugd. Komisch zijn ook de snelle registerwisselingen, van plechtig naar spreektalig en omgekeerd. Hij heeft het bijvoorbeeld over 'wijlen haar Javaanse grootje' of over zijn oude moeder die 'in één jaar tijds twee nieuwe heupgewrichten ingeschroefd' kreeg. Er is veel in dit boek dat aan Reve doet denken: de verheven praatstijl, de verering van 'moeder Saràsvati' die verwant is aan diens Maria-cultus en de altijd op de lachspieren werkende astrologische verklaringen, van dit type: 'Ze had me gezegd dat Pluto over mijn ascendant heen zou schuren en mijn eerste huis, het gebied van mijn persoonlijke leven, tot op de bodem zou afbreken.'

In een 'Aanhangsel' maakt Van Teylingen nog eens duidelijk wat de mensheid kan hebben aan het reïncarnatiegeloof. Men verhuist, kort samengevat, van lichaam naar lichaam met als uiteindelijk doel om, wijs en verlicht, opgenomen te worden in het 'Eeuwige Koninkrijk'. Of die gelukzalige toestand op den duur voor iedereen is weggelegd, vertelt het aanhangsel niet. Van Teylingen zelf, 57 jaar oud, is zijn huidige stoffelijke omhulsel in elk geval nog niet beu. Tevreden maakt hij in het laatste hoofdstuk melding van de voorspelling dat hij rond zijn zeventigste alsnog een goede leraar zal worden en dat tot zijn zoveelste dood, op 95-jarige leeftijd, zal blijven.

UIT: HENDRIK VAN TEYLINGEN, DE VERSCHIJNING VAN DE GODIN SARÀSVATI IN HELLEVOET

Moeder Aarde zag me op 6 juni 1938 wedergeboren worden als zoon van de synodaal gereformeerde predikant Everhardus Gerhardus van Teylingen en zijn overdienstbare vrouw Willemina Petronella Hubrechtina Zaal. Deze zoveelste vader van me kwam in 1980 op zevenenzeventigjarige leeftijd in Utrecht te overlijden terwijl mijn zoveelste moeder, nu negentig jaar oud, in zak en as om haar verloren geloof in Driebergen zit, in Huize Rehoboth.

Voor mijn gevoel, achteraf, had ik even weinig zin meer in de wereld als Parmi, wier geboorte ik in het volgende hoofdstuk beschrijf. Aan mijn komst waren drie miskramen voorafgegaan, en ik denk nu: ik ben dat driemaal zelf geweest, steeds weer terugschrikkend voor de bloedige poort naar het aardse tranendal. De laatste miskraam was een gemummificeerd ventje geweest, dat nog ergens, ik meen in Leiden, in een verzegelde stopfles in een museum moet staan. Wie weet zal ik dat stoffelijk overschotje van mezelf nog eens netjes kunnen verbranden.