Nachtwacht in Moskou

Jevgeni Rijn: Spiegelduister (Tweetalige uitgave). Vert. Hans Boland. Uitg. Papieren Tijger, 128 blz. Prijs ƒ 29,90.

Jevgeni Rijn - een verre Nederlandse voorouder staat aan de oorsprong van deze onrussische naam - geboren in 1935, behoorde rond 1960 samen met Joseph Brodsky tot het selecte groepje jonge Leningradse dichters dat zich in de belangstelling en vriendschap mocht verheugen van Anna Achmatova, destijds de grand old lady van de Russische poëzie. Rijn heeft niet de duizelingwekkende carrière van zijn jongere collega gemaakt, maar zijn werk is daar niet minder interessant om. Brodsky noemt hem in zijn voorwoord tot de bundel Spiegelduister een 'elegisch urbanist' en Rijns gedichten hebben inderdaad wel iets van elegieën: ze zijn vrij lang, en de dichter heeft een voorkeur voor half-rijm en een vrij, maar vaak zeer dwingend metrum. Volgens Brodsky is hij 'de metrisch meest begenadigde Russisch dichter van de tweede helft van de twintigste eeuw'. Het is poëzie die erom vraagt voorgelezen te worden, het liefst door de sonore stem van de dichter zelf. Het onweerstaanbare ritme van veel van Rijns gedichten duidt er al op dat het geen elegieën zijn in de traditionele zin van het woord, dus bespiegelend, melancholiek en sereen. Rijns werk is eerder een spookhuis waar de griezels en lijken uit Ruslands recente verleden op de meeste onverwachte plaatsen uit de kast springen. Bij onderwerpen als een kerkhof in Leningrad of de viering van de dag van de revolutie ligt de associatie met Ruslands bloedige verleden voor de hand, bij een wandeling door Tbilisi of het zien van het ballet de Notenkraker wordt zoiets al moeilijker, maar Rijn is in staat om ook een Hollandse gracht in een handomdraai om te toveren tot een Leningrads kanaal in de tijd van de terreur en de Nachtwacht wordt in zijn visie een nachtmerrie waarin de koppen van Dzjerzjinski, Jagoda en Jezjov (allemaal vroegere leiders van de Geheime Dienst) de lezer van het doek aangrijnzen: 'Ik krankzinnig? O nee! Ik ben zelfs niet bezeten-/ wel vanaf vijfendertig van vrijheid verstoken./ Kijk het kind van Jezjov toch een hoepelrok dragen.'

De vertaler heeft geprobeerd zo dicht mogelijk in de buurt van het origineel te blijven. Het is daarbij jammer, dat hij niet consequenter voor het handhaven van de vorm heeft gekozen. Nu zijn sommige gedichten rijmend vertaald en andere niet. Het is daarbij opmerkelijk dat juist de vertalingen waarin de vertaler het rijm heeft laten vallen, een enigszins onaffe, onbevredigende indruk maken. Maar gelukkig heeft hij het zich niet altijd zo gemakkelijk gemaakt. Juist daar waar hij streng voor zichzelf is geweest en rijm en metrum handhaaft, zoals het hierboven genoemde 'De nachtwacht' en 'Over de grachten', ontstaan vertalingen die volledig recht doen aan Rijns fascinerende originelen.