Lang blond haar, de kleur van pils

Met een stortvloed van woorden, zinnen van halve en hele pagina's, roept de Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal beelden op en vertelt hij anekdotes. “Er is tijd voor nodig dat stortbad van je af te laten druipen, meteen erna een ander boek pakken en lezen gaat eenvoudig niet.” Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn gegaan.

Bohumil Hrabal: Gekortwiekt. Vert. Kees Mercks. Te koop voor ƒ 7,95 bij De Slegte.

Ongeveer dertig jaar geleden las ik bij toeval - een kadootje van een logée - Zwaarbewaakte treinen van de Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal. Ik was nog jong en het boekje maakte weinig indruk. Dacht ik. Maar kijk wat er gebeurde: beelden, door die vertelling opgeroepen, bleven me achtervolgen tot de dag van vandaag. Zo roept het zien van telegraafdraden vanuit een rijdende trein altijd weer het beeld op van een man die, in het holst van de nacht, die telegraafdraden doorknipt. En toen ik eens - dit gebeurde in Duitsland - tegenover een oudere man stond die ongemakkelijk op een stoel zat, zijn linkerbeen als een boomtak vooruitgestoken en ik opeens zag dat in die broekspijp een, hoog aan de heup bevestigd, kunstbeen zat, werd ik vervuld van medelijden en zag twee trappelende voeten in het donker langs een spoordijk. Ook een beeld uit datzelfde boek.

Het is bekend dat een schrijver met een naam die moeilijk in het geheugen van lezers buiten zijn eigen taalgebied blijft haken, iets aan zijn populariteit zal moeten doen, wil hij in het buitenland een lezerspubliek krijgen. Hrabal doet daar, bij mijn weten, geen enkele poging toe. Met een stortvloed van woorden, zinnen van halve en hele pagina's, vertelt hij anekdotes en roept beelden op, beelden en nog eens beelden. En pas nadat je het vrij dunne boekje uit hebt, begint het bij je te dagen waar dat alles nu eigenlijk over ging. Er is tijd voor nodig dat stortbad van je af te laten druipen, meteen erna een ander boek pakken en lezen gaat eenvoudig niet. Je waant je nog in Praag, of daar ergens in de buurt, twintig of vijftig of zeventig jaar geleden.

In het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad van 6 januari jl. wijdt P.F. Thomése een artikel aan Bohumil Hrabal. Hij begint daarin met te zeggen dat Hrabal een van die schrijvers is die je het best fluisterend aan elkaar door kunt geven, om ze uit handen van het Grote Publiek te houden. Dat kan echter nooit de bedoeling van een uitgever zijn, en misschien daarom heeft uitgever Bert Bakker Hrabals boeken in van die abominabele jasjes gestoken, ze met zoveel smakeloosheid opgesierd dat het zogenaamde Grote Publiek wel denken moet met triviale lectuur van doen te hebben. En dat verkoopt altijd, dat weten we. Maar die opzet is niet gelukt, waarschijnlijk doordat de meeste mensen niet zo dom zijn alleen naar de voorkant van een boek te kijken: voordat tot het neertellen van geld wordt overgegaan, wordt ook de achterkant bekeken. En daar zien we niet de imposante kop van een modieuze dame of heer maar een foto van een al oude man, kalend, een gezicht vol rimpels, een wijze arbeider. En de koop wordt niet gesloten.

Vandaar dat nu voor ƒ 7,95 bij De Slegte het boek Gekortwiekt op de plank staat, in het meest smakeloze omslag van allemaal (de penetrante geur van haarlotion slaat ervan af). Slechts 96 pagina's tekst: het verhaal van een jonge vrouw, getrouwd met de rentmeester van een bierbrouwerij. In al Hrabals boeken wordt mateloos bier gedronken - hij groeide op in een bierbrouwerij - maar in dit boek gaat het niet alleen over drinken, ook wordt het vuur onder de ketels gestookt, wordt er op het mout gedanst, in de zestig meter hoge schoorsteen geklommen, gebaad in een houten trog waar heet water door stroomt, lopen de brouwers rond in hun ondergoed, slapen zij in kribben op de zolder. We zien alles door de ogen van de vrouw, een vrouw die haast uit elkaar barst van levenslust. Het hele boek zindert van levenslust en erotiek. Maar niet door het noemen van de naakte feiten, wat snel verveelt, maar bijvoorbeeld door te vertellen hoe de vrouw kersen eet, een manier van kersen eten die haar man afkeurt, want een fatsoenlijke vrouw eet zo geen kersen. Of hoe zij, elke keer als haar man terugkomt van een bezoek aan Praag, in al zijn zakken naar een presentje zoekt. Ze heeft lang blond haar, de kleur van pils, en als ze fietst moet ze oppassen dat het haar niet tussen de spaken komt.

Toch gaat dit boek niet alleen daarover. Het gaat ook over verandering, de onvermijdelijke verandering die het leven is, en over het aanvaarden daarvan. Over het verdwijnen van dingen die, als we jong zijn, zo vanzelfsprekend lijken als de zon en de maan. De komst van elektrisch licht is zoiets. (De eerste twee bladzijden verhalen van het aansteken van de verschillende olielampen in het huis en buiten.) De komst van de radio. Daarmee eindigt het boek: als de vrouw voor de eerste keer een radio ziet en hoort, fietst ze met haar wapperende haardos naar de kapper en laat zich een jongenskop à la Josephine Baker knippen. Vervolgens knipt ze thuis haar rok kort, hakt de staart van haar hondje af, en zaagt de poten van de stoelen en de tafel. Alles moet kort zijn in de moderne tijd.

Het knappe van dit verhaal is de mengeling van hilariteit, van het absurde, met iets dat tot droefheid stemt. En het is moeilijk uit te maken of deze droefheid van Hrabal is of door de lezer zelf wordt opgeroepen.

'Tjongejonge', hoorde ik een man zeggen die bij De Slegte naar de schappen stond te kijken, 'tjongejonge, als je dit allemaal wilt lezen, heb je daar wel een aantal mensenlevens voor nodig.'

Als je dit allemaal wilt lezen? En wie zal dan al die boeken lezen die twee keer per jaar bij Vers van de Pers worden aangeboden? Wie leest alle boeken die opgeslagen liggen in het Centraal Boekhuis, een zo groot pakhuis dat er in geen enkele stad ruimte voor is en het, net als onze grote ziekenhuizen, in de weilanden is gebouwd? De boterberg aan boeken die we elk jaar produceren zou wel eens een rijstebrijberg kunnen zijn, waar we ons doorheen moeten eten, om aan het eind van de tunnel een klein juweel te vinden.