Is het zoo geschied? De vaderlandse geschiedenis volgens tekenaars Jetses en Isings

Wat zou Alkmaars Ontzet geweest zijn zonder hond? Wat de Batavieren zonder Wodan en Sleipnir? Wat zou, kortom, de vaderlandse geschiedenis zijn geweest zonder de tekeningen van Jetses en Isings? “Door de illustraties van Jetses en Isings wordt iets overgebracht over de realiteit van het verleden: dat de echte zon heeft geschenen op echte mensen met echte bedoelingen en echte gevoelens.”

Dit is een bekorte versie van de Wolterslezing die Rudy Kousbroek op 19 mei hield in de Martinikerk in Groningen.

Op een mooie zomerdag in het jaar 100 vóór Christus kwamen de Batavieren naar ons land. Ze liepen in dierenvellen; op donkere nachten in hun tochtige hutten (de mensen konden nog niet zo goed hutten bouwen, want ze waren nog heidenen) aanbaden zij Woensdag, Donderdag en Vrijdag; daarom werden de dagen van de week toen nog met hoofdletters geschreven. De Batavieren werden onderworpen door keizer Claudius, bijgenaamd Civilis; maar niet de koppige Friezen! Dit dappere volk wordt pas later door de Romeinse veldheer Bonifacius bij Dokkum verslagen (de slag bij Warns).

In die tijden was er nog weinig licht, daarom spreken wij van de donkere of duistere Middeleeuwen. Maar van alle kanten klonk: God wil het! Dat was Peter de Kluizenaar, die op de Kerkvergadering van Clermont opriep tot de Kinderkruistocht. Een der kruisvaarders leefde uitsluitend van bouillon; Godfried, zo heette hij, wilde geen koning van Jeruzalem worden, maar Beschermer van het Graf. Koningen waren toen nog katholiek ('Roomsch Koning').

Bittere twisten over de kabeljauw verscheurden de Hoekse Waard; het was de tijd van Du Perron met de Rode Hand. Dirk de VIIde huldigde de Welf. Jacoba van Beieren, gravin van Henegouwen (maar niet van Beieren) werd meermalen uitgehuwelijkt aan een ruwaard, om dan in Delft te worden omhelsd ('de zoen van Delft'). Ook de liefde tot het eigen geslacht bestond al, zo verwierf Floris V zich de bijnaam 'der keerlen God'. Vooral hooggeplaatste personen kregen evocatieve bijnamen: Jan zonder Genade omdat hij genadeloos, Jan zonder Vrees omdat hij niet bang, Floris de Voogd omdat hij voogd en Floris de Zwarte omdat hij zwart was; Karel de Kale was kaal, Karel de Eenvoudige eenvoudig, Karel de Grote groot, en Willem de Rijke niet rijk - alleen heel domme mensen denken dat: het betekende alleen maar dat hij veel kinderen had. Verder waren er Philips de Goede die goed was, Philips de Stoute die stout was, Philips de Schoone die verzot was op koud water, en Philips de Tweede bekend als de Spaanse Furie, omdat hij Alva's tiende penning ('No es nada!') aan de Raad van Beroerten toekende en Willem de Zwijger vogelvrij liet verklaren omdat hij zweeg toen Philips tegen hem zei: 'Niet de Staten, maar Gij, Gij, Gij!'

Maar dan worden de dijken doorgestoken! De wakkere Zeeuwen komen in platboomde turfschepen met de bezem in de mast naar Breda, waar de standvastige Van der Werff aanbiedt zijn rechterarm in het Spaarne te gooien; en dan moet Middelburg zich overgeven. De Loevesteinse factie ontvoert Johan van Oldenbarneveld in een boekenkist. Maar: Van Alkmaar begint de victorie 'zo klonk het vrolijk', en geheel onverwachts komt Wezels verrassing! O, mijn zone, mijn kind, mijn zone! is het zoo geschied? is het zoo? dan is het louter een werk van God en niet van menschen. De Spekken trekken haastig zuidwaarts af; reeds schijnt door het verraad van de graaf Van Renneberg de slag verloren tot Maurits zijn laatste ruiterij, tot het uiterste gespaard, doet oprukken. Ruim honderd vaandels worden buitgemaakt. De Bataafse Republiek heeft zich ten langen leste van het Spaanse juk bevrijd. Het rijske wordt een boom. De Tuin der Zeven Provinciën was gesloten.

'History,' schreven Sellar & Yeatman, 'is what you can remember.'

Zij hebben daar in een boekje getiteld 1066 And All That, verschenen in 1930 en als ik me niet vergis nog altijd in druk, briljante voorbeelden van gegeven. Om die naar waarde te schatten is het handig vertrouwd te zijn met Ethelred the Unready, Hengest en Horsa, King Alfred and the Cakes en soortgelijke eigenaardigheden van het Britse verleden, maar noodzakelijk is het eigenlijk niet. Wat je onmiddellijk herkent is de toon, die seniel-belerende manier van vertellen, vol uitroepen en cursiveringen, met al die 'zwakke' en 'sterke' vorsten die onbegrijpelijke barbaarsheden begaan alvorens ongeneeslijk zwakzinnig te worden of kinderloos te sterven, op het slagveld of na een val van 't paard - kortom precies het recept dat ook in onze geschiedenisboekjes gebruikelijk was.

Deze overeenkomst vestigt de aandacht op het feit dat na 40 jaar blijkbaar niet of nauwelijks de historische feiten, maar wel de eigenaardige zinswendingen, de vreemde formuleringen en de onbegrijpelijke verbanden uit die geschiedenisboekjes in het geheugen bewaard blijven. Wat deed Dirk VII? Dirk VII huldigde de Welf. Wat deed Philips de Schone? Philips de Schone, verhit, dronk koud water. Wat deed Karel de Stoute? Karel de Stoute ging ter kroning naar Trier. Wat deed Jan Willem Friso? Jan Willem Friso verdronk in het Hollands Diep.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat we hier eigenlijk al van Sellar en Yeatman's recept zijn afgeweken. Zij hadden het makkelijk, ze hadden alleen te maken met tekst, ze hoefden alleen maar te achterhalen hoe zij zich die herinnerden. Maar voor Nederlanders, of voor mij in elk geval, zit er veel meer aan vast. In de Grand Guignol die in mijn hoofd wordt opgevoerd wanneer ik aan onze Vaderlandse Geschiedenis denk is de tekst van de Geschiedenisboekjes tot op zekere hoogte nog maar bijzaak. Wat de hoofdrol speelt zijn de tekeningen die als illustraties in de boekjes waren opgenomen. Ook wel de wandplaten die in ons schoollokaal hingen, maar dat waren er niet zoveel; wat mijn verbeelding na al die jaren nog steeds in lichterlaaie vermag te zetten, dat zijn de honderden tekeningen van Cornelis Jetses (1873-1955) en Johan Herman Isings (1884-1977) die gebruikt werden in de vaderlandse geschiedenisboekjes van J.B. Wolters Groningen - Batavia.

Daarvan bestonden drie verschillende series, Uit vroeger eeuwen en Kleine vaderlandse geschiedenis in twee delen van De Jongh en Van Poelje en Van toen en nu van Van de Hulst en Huizenga, waarvan de vroegste begonnen te verschijnen in 1916 en de laatste nog in druk waren in 1960. Alle boekjes beginnen met die gedenkwaardige dag in het jaar 100 v. Chr., gevolgd door 'Wat de Germanen geloofden'; daarbij hoort een tekening over twee bladzijden van een nachtelijke hemel waartegen Wodan voorbijgaloppeert 'met zijn wilde jacht' - bestaande uit Donar met zijn hamer en Freia, plus de raven Hugin en Munin en de wolven Geri & Freki. Of ik deze laatste namen als kind al kende weet ik niet zeker, maar het weerzien met die wilde jacht was als het terugvinden van lang verloren gewaande familieleden.

Links op de voorgrond Wodans paard Sleipnir: hoe vaak heb ik als kind dat paard gekopieerd en nagetekend? Meer paarden op de volgende tekening: de Batavieren die langs de Rijn 'ons land' binnen trekken - 'ons land' voor het bestond, een aanduiding van iets virtueels, dat mij toen al verwonderde, net als de datum van mijn verjaardag in de eeuwen voor ik geboren was. Op deze tekening staat ook al de eerste vertegenwoordiger van het dier dat op vele illustraties, speciaal die van Jetses, van de partij is, namelijk de hond. Het is alsof het prototype van de hond, zoals dat in mijn geest wordt bewaard, afkomstig is van de manier waarop honden door Jetses werden afgebeeld: met fier geheven kop, de blik smekend op zijn baas gericht, waarin absolute offervaardigheid en lichte imbeciliteit om de voorrang strijden - de zwaaier met de staart, de pootjesgever met de tong uit de bek, de bewaker van huis en hof, de redder van verdrinkende kinderen, de eeuwig trouwe kameraad.

Zie hem staan, de nobele viervoeter, bij 'Koning Clovis, koning der Franken', achterdochtig kijkend naar de onafzienbare menigte die op het punt staat zich tot het Christendom te bekeren. - Fijn met baasje mee uit! met Karel de Groote in de boot voor het Valckhof; - Aan de zijde van Dirk III in diens beruchte 'eerste tolhuis aan de Merwede'; - tevreden tegen het blonde meisje aanliggend 'In de ridderzaal' (in kleur); - niet helemaal gerust bij 'Der Keerlen God', die nietsvermoedend keuvelt met de brave boerenpummels op de akker (de valse edelen konkelend op de achtergrond); - uitgelaten met Jacoba van Beieren, die gaat 'vlieghen metten vogelen'.

Helaas! Naarmate we in de geschiedenisboekjes vorderen in de tijd komen er op de illustraties minder honden voor. Zowaar, op de tekening van 'Van Alkmaar begint de victorie!' heeft Jetses er nog eentje tussen weten te te smokkelen, helemaal rechts tussen de man op krukken en de biddende grijsaard, alsof zo'n glorieus moment zijn betekenis zou verliezen wanneer er geen hond bij was geweest.

En ziedaar iets dat eigenlijk een paradigma is voor het geheel van deze veraanschouwelijking van de Vaderlandse Geschiedenis. Wat zou Alkmaars Ontzet geweest zijn zonder hond? Wat de Batavieren zonder Wodan en Sleipnir? Wat de vaderlandse geschiedenis zonder de illustraties van Jetses en Isings? Ik bedoel nu niet de geschiedenisboekjes, maar de geschiedenis zelf.

Zoals die tekeningen van Jetses mij iets hebben onthuld over de diepste roerselen, het innerlijk, het wezen van de hond, waaraan ik voor de rest van mijn leven een bepaald beeld van het begrip 'hond' heb overgehouden, zo hebben zij dat ook met andere aspecten van het verleden gedaan, aldus het omstreden begrip in het leven roepend dat 'historisch besef' wordt genoemd.

Het bovenstaande hoeft niet letterlijk te worden opgevat, maar toch meen ik het wel degelijk. Ook die illustraties waren ongetwijfeld niet letterlijk bedoeld. Het waren een soort zinnebeelden, getekend met een zeker gevoel voor humor en meer speciaal voor symboliek. Wat niet meer beseft wordt is dat in het verleden niet alles letterlijk werd genomen, zoals bijvoorbeeld verhalen over aangeklede dieren ook niet letterlijk worden genomen door kinderen. Je hebt moderne biologen die verschrikkelijk te keer gaan tegen kinderverhalen over muizen met jurkjes en broekjes en hoedjes; ze jeremiëren over het valse natuurbeeld dat kinderen op die manier zouden krijgen, maar geen kind ter wereld denkt dat muizen in werkelijkheid jurkjes aan hebben en pannekoekjes bakken op een fornuisje in hun hol. En toch is er iets essentieels dat door die voorstelling tot leven komt.

Het is evident (lijkt mij) dat het kinderen juist respect bijbrengt voor het bestaan van een aparte dierenwereld met een eigen kwetsbare realiteit - van dreiging van buitenaf, van verlating, van honger en angst, leven en dood; ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de door die biologen zo gehate Peter Rabbit-verhalen van Beatrix Potter: voor hen is dat ongeveer het ergste dat er bestaat. Waar deze gevoelsarme mensen blind voor zijn is dat door die tekeningen liefde gecommuniceerd wordt, dat is de zin van die aandacht voor detail, die nauwkeurige anatomische observatie. Zowel dierenbescherming als wetenschappelijke nieuwsgierigheid zijn typisch cultuurproducten van samenlevingen waar kinderen met muisjes in rokjes worden grootgebracht.

Op dezelfde manier wordt door de illustraties van Jetses en Isings iets overgebracht over de realiteit van het verleden: dat de echte zon heeft geschenen op echte mensen met echte bedoelingen en echte gevoelens, met echte kinderen (en echte honden), wier werkelijkheid op dezelfde zinnebeeldige manier kan worden weergegeven als onze huidige - en opmerkelijk genoeg is dat juist wat nieuwsgierig maakt en de fantasie prikkelt, veel meer dan de feitelijke en documentaire benadering die sindsdien in de mode is gekomen.

De gedetailleerdheid waarmee die tekeningen in mijn geheugen zijn opgeslagen houdt niet op mij te verbluffen. Ik blader die boekjes door en herken ieder lijntje, iedere arcering, ieder puntje (de tekeningen van Isings bestaan, net als die van Peter Vos, voor een groot deel uit puntjes). Het is of ieder gezicht het prototype is geworden van een hele categorie van gezichten; bijvoorbeeld de man die achterom kijkt op Isings tekening van 'Raadpensionaris Johan de Witt'. Ik schreef dit zonder de afbeelding voor mij te hebben, en nu ik die opsla zie ik hoe fantastisch het klopt: in de vergaderzaal op de voorgrond zitten vier kerels met zwarte hoeden op, waarvan er één, de tweede van links, omkijkt als werd hij gehinderd door het geluid van Isings' tekenpen. Zijn gezicht is mij zo bekend dat het mij te moede is of zijn naam mij weldra te binnen zal schieten als ik maar even rustig nadenk.

De tekeningen van Isings zijn in mijn gevoel superieur aan die van Jetses; ze zitten vol donkere geheimen en zijn somberder van sfeer; ook wat ik eerder aanduidde als 'zinnebeeldigheid' is bij Isings anders; bij Jetses is het eenvoudiger - de mensen hebben frisse, zindelijke gezichten en ze kijken enthousiast; bij Isings zijn het al veel meer die gestoorde Hollandse koppen, als oude ongeschilde aardappels of gestoofde kolen, die ook in werkelijkheid op zo frappante wijze het beeld in Nederland bepalen.

Enfin, toch niet alleen maar Hollanders: zie bijvoorbeeld de fysionomieën der 'Franse troepen van Generaal Pichegru' die in 1795, tweehonderd jaar geleden, de bevroren Waal overtrekken. Het is duidelijk dat wij daar al dichter bij het onverbiddelijke heden zijn gekomen: zelfs de paarden kijken treuriger dan die van Jetses, die dan ook eerder en dus in gelukkiger tijden leefden. Een van Isings meesterwerken is 'Jan Willem Friso verdrinkt bij het overvaren van het Hollandsch Diep', 1711. Die sombere hemel die ik onmiddellijk herkende toen ik in Februari 1946 in Nederland aankwam; donkere luchten die voor eeuwig het zinnebeeld zullen blijven van uitspansels waaronder prinsen verdrinken.

Het feit die tekeningen, vrolijk of treurig, uit mijn hoofd te kennen heeft iets geruststellends, een gevoel die beelden 'bij mij te hebben', veilig, iets van 'dat kan tenminste niemand mij afnemen' of 'dat heb ik tenminste altijd nog'. Net als het kennen van de al eerder geciteerde regels: 'O, mijn zone, mijn kind, mijn zone! is het zoo geschied? is het zoo? dan is het louter een werk van God en niet van menschen.'

Hoeveel mensen Anno 1995 herkennen die zin? Toen ik haar dezer dagen weer onder ogen kreeg schoten mij de tranen in de ogen. Waarom? In de eerste plaats natuurlijk het herinnerde lezen. Maar ook om het Nederlands. Wat het analfabetengepeupel verder ook met onze taal van plan mag zijn: die zin is in elk geval veilig, bij mij, in mijn hoofd. Hij hoort bij de tekening van Jetses: 'Frederik Hendrik ontvangt in het leger voor 's Hertogenbosch de tijding van Wezel's verrassing'. De uitvoerigste versie van de toedracht staat in Uit vroeger eeuwen: 'Wezel, steunpunt, magazijn en tuighuis des vijands, werd bij verrassing genomen. Otto van Gent, heer van Dieden, was te weten gekomen dat men te Wezel bezig was een nieuw bolwerk te bouwen, hetwelk, op verre na niet voltooid, gemakkelijk te beklimmen was... Op een zomermorgen, bij het krieken van de dageraad, overrompelt hij het bolwerk, doch alle pogingen de valbrug naar beneden te krijgen, mislukken. Daar treft een kanonskogel, uit de stad afgeschoten, den ketting, de brug valt met donderend geraas neer en de onzen dringen in de stad. 'O, admirabele voorzienigheid Gods', zegt een schrijver dier dagen, 'de brug nedervallende, trok de ruiterij binnen; de trompetters bliezen tantara, de ruiters veegden de straten en trokken in slagorde naar de markt.' Toen een boodschapper Frederik Hendrik de heuglijke tijding bracht, riep deze uit:... - en dan volgt de zin die ik nu al twee keer heb geciteerd, 'O, mijn zone, mijn kind, mijn zone! is het zoo geschied? is het zoo? dan is het louter een werk van God en niet van menschen.' Zo mooi! en je realiseert je met schrik dat die mensen zulke dingen echt hebben geloofd.

De gedachte is wel vaker bij mij opgekomen dat geschiedschrijving veel weg heeft van hoe een kind natuurkundige verschijnselen verklaart: een spiraalveer tracht zich te strekken omdat hij zich helemaal opgedraaid voelt, als iets fel brandt dan is dat omdat het vuur boos is; een voorwerp valt om omdat het moe is; als iets blijft drijven is dat omdat het water het niet in zich wil hebben. Zo was het in de geschiedenisboekjes ook: de veronderstelde beweegredenen zijn zo kinderachtig, zo bijgelovig, zo primitief, dat het verleden veel heeft van een gekkenhuis. In de moderne geschiedschrijving is het geloof ik niet anders, alleen worden er met meer of minder vakmanschap rookgordijnen gelegd en raderen voor je ogen gedraaid.

Toch is er geen twijfel aan dat het verleden echt heeft bestaan en er is een of andere verbinding nodig tussen wie wij toen waren en wie wij nu zijn. In Nederland is volgens mij die verbinding verbroken, of in elk geval opvallend veel zwakker dan in andere landen. Dat is wat in dit land dat eigenaardige gevoel geeft dat er een dimensie ontbreekt. De gedachte dat wat van een generatie of langer geleden dateert, dat wat in die tijd gevoeld en gedacht werd nog interessant of waardevol zou kunnen zijn, wordt in Nederland niet alleen gezien als iets absurds maar zelfs als iets verwerpelijks; de Nederlandse visie op het verleden is dat de mensen van vroeger leefden in dwaling en geen gedachten hadden die nu de moeite van het kennen nog waard zijn. Dat is denk ik ook de reden dat Nederlanders minder weerstand hebben tegen modes en rages dan de burgers van enig ander mij bekend land.

Hoe komt dat? Een van de eerste dingen waar je aan denkt is uiteraard het onderwijs in de geschiedenis. Ruim een generatie geleden werd besloten dit onderwijs te moderniseren. Niet verwonderlijk maar wel betreurenswaardig, want er is, zo lijkt het, niets voor in de plaats gekomen. Vraag schoolgaande kinderen van nu iets over het verleden en je ontdekt dat in de plaats van de vroegere clichés over sterke en zwakke vorsten nieuwe clichés zijn gekomen over discriminatie en uitbuiting (en dat die clichés nog tyrannieker zijn). Voor zover ik weet is Nederland het enige land ter wereld waar ooit serieus is voorgesteld het hele geschiedenisonderwijs maar af te schaffen. We hebben immers al maatschappijleer.

Het is zeer zeker gerechtvaardigd de Nederlanders te zien als barbaren; dat zijn we tot op zekere hoogte altijd geweest, maar de bodem is er uit gevallen na de Mammoetwet; ook dankzij het sleutelen aan de spelling is de gedachte ontstaan dat alles dat een generatie of meer geleden werd geschreven onleesbaar, belachelijk en ouderwets is. Nog allerlei andere dingen die een verbinding vormden met het verleden zijn in Nederland afgeschaft of ingrijpend veranderd. Wie kent, laat staan zingt nu nog de liederen van Valerius of de liedjes uit Kun je nog zingen zing dan mee.

Al die dingen zijn in de tijd van één generatie uit het leven in Nederland weggevaagd. Ik zeg niet dat er in die dingen niets ongewensts was, maar nergens ter wereld is de angst zo groot dat verouderd nationalisme, Eurocentrisme en wat dies meer zij 'de jeugd zou kunnen besmetten', en een obstakel vormen tegen de komst van een betere wereld.

Het is in diezelfde puriteinse kaalslag dat wij afscheid hebben genomen van de tekeningen van Jetses en Isings. Er is niets voor in de plaats gekomen en ik beschouw het als een groot verlies.