Ik dans om de passie, niet om de première; Karin Schnabel over haar rollen bij Het Nationale Ballet

“Ik ben geen spectaculaire, virtuoze danseres,” zegt Karin Schnabel, die op 21 juni haar laatste voorstelling danst bij Het Nationale Ballet. Maar in de dans gaat het volgens haar niet om de techniek alleen. “Ik kan me niet voorstellen dat het publiek liever kijkt naar een perfecte robot dan naar een persoonlijkheid.”

Karin Schnabel is te zien op 15 en 21 juni in Diversion of Angels van Martha Graham. Het programma van Het Nationale Ballet bevat voorts een première van Toer van Schayk ('Spiegels bevriezend') en de reprise van 'Four Schumann' Pieces van Hans van Manen. Muziektheater Amsterdam.

Een van de hoogtepunten uit de dansloopbaan van Karin Schnabel is de scène met de gifdrank in Romeo en Julia van Rudi van Dantzig. Een paar seconden voor ze het flesje oppakt en leegdrinkt gaat een nauwelijks merkbare siddering door haar armen - 'I have a faint cold fear thrills through my veins'. De toeschouwer voelt de adem stokken: Julia valt in zwijm.

Karin Schnabel moet zich tot op het bot verdiept hebben in de literaire achtergronden van de rol, zozeer volgden haar bewegingen Shakespeares tekst. Maar, zo blijkt desgevraagd, een intellectuele benadering had de scheidende soliste allerminst. Ze danste Julia zoals haar hart het haar ingaf. Vóór ze de hoofdrol kreeg, deed ze tal van bijrollen in het avondvullende spektakel. “Daardoor had ik het vaak van dichtbij meegemaakt en kon ik me inleven in het verhaal. Het was m'n eerste solistische rol, ik was net een paar seizoenen bij de groep. Mijn Julia was toen puur en onbevangen, emotioneel, een speels jong meisje, bezig een vrouw te worden en daarin zo eerlijk dat ze zichzelf volkomen geeft. Het is niet zo dat ik de tweede keer, een flink aantal jaren later, bewust anders tegen de rol aankeek. Maar mijn persoonlijke ontwikkeling kleurden als vanzelf de rol in, waardoor de dramatiek een andere lading kreeg, ook voor mijzelf. De eerste keer was ik nog getrouwd met mijn eerste man, ik was eigenlijk een kind toen. De tweede keer was Francis [Francis Sinceretti, ex-solist van Het Nationale Ballet - JV] er en onze zoon Vincent. Dat is het mooiste wat er is, dat je meegroeit met de rol en de rol met jou.”

Op 21 juni danst Karin Schnabel haar laatste voorstelling bij Het Nationale Ballet. Niet als Julia, maar als het rode meisje in het ballet Diversion of Angels van Martha Graham. De eerste soliste moet stoppen met dansen, want 30 juni wordt ze 39 en dat is de wettelijke leeftijd voor de afvloeiingsregeling. Toen haar, geheel volgens afspraak, eind 1992 werd medegedeeld dat het seizoen 1994-1995 haar laatste zou zijn, was Karin Schnabel daar 'nog helemaal niet mee bezig'. “Ik realiseerde me ook niet dat het niet aan mij was te beslissen of ik in de uitzonderingscategorie zou vallen. Maar toen kwam, een paar dagen voor oud en nieuw, die brief.”

Er staat in dat de directie haar engagement niet zal verlengen vanwege 'onder meer uw - in de ogen van de artistieke leiding - beperkte toneelprestaties als klassieke solist; uw, bij andere solisten vergeleken, beperkte toegevoegde waarde aan het gezelschap; de castingskeuzes van in- en externe choreografen en instudeerders die niet altijd in uw voordeel uitvallen en de noodzaak om jongere dansers in het tableau te laten doorstromen'.

Ze antwoordde drie weken later aan de directie, met een kopie aan het bestuur: 'Het gesprek op 8 december was redelijk en zeker niet onaangenaam. Maar de schriftelijke vastlegging vind ik nodeloos kwetsend, dat moet toch anders kunnen.' Ze heeft er nooit iets op gehoord: “Dank je hartelijk, 21 jaar trouwe dienst en er kan niet eens een briefje van het bestuur af. Francis heeft gezegd: 'Pas op, dat je niet bitter overkomt, als je hier over praat'. Ik begrijp best wat hij bedoelt, maar ik vind dat er niks mis is met praten over wat er gebeurde. Dan maar bitter, maar zó is het gegaan. Het was kwetsend. Maar ik heb van huis uit geleerd hoe je daar mee omgaat.”

Ze schuift de brieven weg en laat een prachtig bibliofiel fotoboek zien dat choreograaf Rudi van Dantzig en een Amerikaanse fotograaf voor haar maakten naar aanleiding van een toernee met Rudolf Noerejev in St. Louis, bijna twintig jaar geleden. Van Dantzig slaat haar bewonderend gade tijdens de repetitie, ziet hoe ze die avond straalt als een ster en citeert de aanbeveling van Noerejev: 'You have to be very good to that little girl, she is special.' De artistiek leider van Het Nationale Ballet weet dan al dat hij haar zal bevorderen tot soliste. Karin Schnabel groeide uit tot een innemende, bij uitstek lyrische danseres. Niet virtuoos, maar altijd onmiskenbaar aanwezig, met die karakteristieke bluesy swing in haar bovenlichaam en het ongekunstelde precisiewerk dat haar dansen zo weldadig natuurlijk maakt, tot op de dag van vandaag.

Stapelbedden

Vader Schnabel, oud-Knil-officier, was met zijn echtgenote en drie kinderen begin jaren vijftig gerepatrieerd. In Nederland kwamen er vier bij, Karin als jongste in 1956. “Toen ze naar Nederland kwamen, werden ze in een pension gestopt. Later woonden we in een heel klein huisje. Pa en ma hadden een opklapbed in de woonkamer. Achter de schuifdeuren stonden de stapelbedden voor de meiden. De tafel stond in de gang. Arm, maar uiteraard goed gekleed. We kwamen niets te kort. Mijn ouders zijn zulke integere, vriendelijke mensen. Echt Indische mensen, heel trots. Ik zie mijn moeder nog gaan op haar brommertje, ze werkte als verpleegkundige, was er niet met de thee als we van school kwamen. Het gevoel van eigenwaarde, het je niet laten kennen, dat heeft me getekend voor het leven. Ik kon er mijn teleurstellingen en tekortkomingen in mijn vak door aan.”

Haar zusjes zaten op balletles, vonden er niet veel aan. Karin wel. Ze was een timide kind, verlegen. Maar als ze muziek hoorde wilde ze dansen. En zo is het nog steeds. “Eerst de muziek, dan de dans, en dan pas de techniek, dat is de logische volgorde. Die drang is altijd gebleven. Ik kan me niet voorstellen dat het publiek liever kijkt naar een perfecte robot dan naar een persoonlijkheid. Tenminste, ik hoop dat mensen het verschil zien en waarderen.”

Op vrijwel al de afspraken komt ze wat later en ze heeft altijd een goed excuus. De ene keer ontfermde ze zich over een stel jongere collega's dat haar om raad vroeg. “Ze vervelen zich, de meesten hebben al maanden niets te doen gehad. En daarvoor zijn ze natuurlijk niet bij Het Nationale Ballet gekomen.” Het komt er wat sarcastisch uit, maar ze meent het oprecht. Een andere keer is ze ingegaan op een verzoek van Katja Bröner, die zich voorbereidt op een concours in het buitenland. Of Karin naar haar Giselle- en Corsaire-variaties wilde kijken. Ze vindt het een mooie manier om ervaring op te doen met coachen.

Handtekening

Het heeft iets symbolisch. De vertrekkende danseres die een rol overdraagt. Haar jongere collega en vriendin Marieke Simons: “Ze houdt zich groot. Laatst zei ze tegen mij: 'Die laatste voorstelling is niet mijn afscheid, ik heb de afgelopen twee jaar afscheid genomen.' Ik moet er niet aan denken dat Karin er volgend jaar niet meer bij is. Omdat ik haar dan niet meer zal zien dansen en niet meer dagelijks met haar optrek. Het lijkt zo kort geleden dat ik zelf op de academie zat en haar om een handtekening vroeg.”

Karin Schnabel was zeventien toen Van Dantzig haar een engagement aanbood. 'Je kunt het doen', had haar docent Karel Poons gezegd, 'maar ik raad je aan gewoon nog een jaartje op de academie te blijven.' Dat deed ze. Ze was jong genoeg toen ze, met het diploma op zak, bij het gezelschap binnenstapte. “Misschien had ik niet zo'n hoge dunk van mezelf,” zegt ze zachtjes om haar op haar schoot slapende dochtertje Magali niet wakker te maken. “Rudi viel op de combinatie van onschuld en bezetenheid. Heb ik mezelf onderschat? Het zou kunnen dat ik daardoor zo bezig ben met de jongeren in de groep, dat ik ze daarom wijs op hun rechten en mogelijkheden. Ik weet hoe moeilijk het voor ze is zich te handhaven. Ik weet dat ik het nu niet gered zou hebben. Ik ben geen spectaculaire, virtuoze danser, daarom kon en wilde ik Odette/Odile in Zwanenmeer ook niet. Ik was zelf de laatste die mij de rol van Aurora zou hebben gegeven. In mijn achterhoofd zat de wil om het te doen, maar niet de wetenschap dat ik het zou kunnen. Op het moment dat Peter Wright mij uitkoos voor Sleeping Beauty, wist ik dat ik er tegen aan kon. Hij heeft me gecoacht. De tweede keer dat ik Aurora deed, complimenteerde hij me over hoe ik vooruit was gegaan. Dat betekent wel iets, hoor.

“Ik heb alles gedanst wat ik wilde. Modern en klassiek, Aurora, Giselle, Julia en het witte meisje in Jooss' Groene tafel, een van mijn absoluut favoriete balletten, en Graham.'

Muze

Karin Schabel stond zelden in premièrevoorstellingen, fungeerde alleen in de eerste jaren als muze voor een choreograaf. In Verwaarloosde tuin van Toer van Schayk en, met Noerejev, in Over een donker huis van Van Dantzig. Daarna niet meer. De constatering heeft haar bezig gehouden, zo blijkt als ze er een paar weken later zelf over begint. We zitten in de bedrijfskantine met uitzicht over de Amstel. Karin eet haar gebruikelijke lunch, een broodje kaas met jam, een glas thee, een vrucht. “Ik ben iemand van gewoontes,” zegt ze gniffelend en dan ineens, de donkere ogen ernstig: “Ik weet wat ik waard ben, maar ik kan mezelf niet verkopen. Het is die trots, van mijn moeder, ik buig mijn kop niet.”

Over de vraag of die houding zich niet tegen haar heeft gekeerd, denkt ze lang na. “Ik ken het verwijt: ik had meer aan de bel moeten trekken. Maar wat had me dat opgeleverd? Dat ik een seizoen eerder een bepaalde rol had gekregen? Als je een rol krijgt omwille van het rangensysteem en niet wegens artistieke prestaties, dan gaat het niet over dans, maar over opportunisme. Voor mij gaat de dans om de passie, niet om de première.”

Tegen het eind van ons laatste gesprek vraag ik haar of ze ooit weg heeft willen gaan bij Het Nationale Ballet. Ze onderbreekt me en antwoordt hartgrondig: “Nee! Het was geweldig. Ik had het goed.” Ze valt stil en ik heb het gevoel dat ze iets moet wegslikken, ze bijt ongemerkt op haar onderlip en zegt, wat zachter: “Het is nog steeds míjn groep. Ik zal ze blijven volgen, de mensen die voor mij iets betekenen. Ik zal bij hèn dat niet-première gevoel hebben. Natuurlijk zou ik nog wel langer willen dansen. Alleen niet hier, dat is afgesloten. Ik zal niet in een gat vallen, daarvoor ben ik te realistisch. Het kan vreselijk triest zijn, het na-dansleven, voor mensen die de werkelijkheid niet accepteren. Ik ben, geloof ik, vreselijk normaal!”

Een half uur later staat ze in de studio. Het is er vol, de drie casts repeteren die dag Grahams Diversion of Angels. Ze maakt grapjes, doet gekke pasjes, geeft aanwijzingen aan haar understudy en leunt tijdens een pauze met haar ellebogen op de barre, alsof ze alle tijd van de wereld heeft. Eén van haar vriendinnen zit op de grond en kijkt naar haar, volgt haar als ze in een splitsecond die onnavolgbare overstap maakt van een mooie, ontspannen vrouw in witte repetitiekleren, naar een danseres in het vuur van haar liefde: het meisje in het rood. Karin Schabel repeteert haar laatste voorstelling alsof een volle zaal naar haar kijkt. Wanneer ze haar armen in de karakteristieke Grahamboog langzaam, wellustig bijna, omhoog brengt, glanzen haar ogen. Het gebeurt steeds opnieuw, totdat de repetitie ten einde is.

De symboliek van de eenzame, sterke rol is haarzelf ook niet ontgaan. Ze glimlacht er om.

Het is zaak heel erg goed naar haar te kijken, die avond van de 21ste juni, om het rode meisje niet te vergeten.

    • Jessica Voeten