Het vliegt, fladdert, verdampt en sterft; Exuberante roman van Kerstin Ekman

Kerstin Ekman: De dwaas. Vert. Caroline Godfried en Mariyet Senders. Uitg. Bert Bakker, 407 blz. Prijs: ƒ 39,90.

De dwaas verscheen oorspronkelijk in 1988: het is de roman in het oeuvre van de Zweedse Kerstin Ekman die vooraf ging aan Zwart water, die fenomenale misdaadgeschiedenis over verloren zielen in een afstandelijk, koud berglandschap. Het is ongetwijfeld aan het succes van dat laatste boek te danken dat er nu een Nederlandse vertaling is verschenen en dat blijkt een geluk.

Achteraf kun je vaststellen dat Zwart water niets van een klakkeloze herhalingsoefening had, want op het eerste gezicht lijken de twee boeken hemelsbreed van elkaar te verschillen; geen broeierig psychologisch drama in een kleine, afgesloten gemeenschap, geen misdaad die een stille invloed uitoefent op een aantal levens, maar een exuberant verhaal met een bovennatuurlijke inslag dat zich over eeuwen uitstrekt, net als de hoofdpersoon, de half-mens Skord, die maar heel langzaam ouder wordt en de geschiedenis aan zich voorbij ziet trekken.

De Skord die dit vertraagde leven leidt is aanvankelijk niets minder dan een trol, een sprookjesachtig wezen dat opduikt in de zompige duisternis van de vroege middeleeuwen. Hij maakt deel uit van de onbewuste, natuurlijke wereld van het bergwoud. Twee zwerfkinderen nemen hem mee en voeren hem de bewoonde wereld binnen; vanaf dat ogenblik ontwaakt bij Skord de nieuwsgierigheid naar alles wat de mens tot mens maakt. In een oud spel Tarotkaarten herkent hij de emblematische menstypen die hij op zijn lange weg door de tijd zal tegenkomen, met hemzelf als de Dwaas: 'Eén slechts holt tussen alle anderen door, duikt op, verdwijnt, is hoog, is laag, is iedere keer anders. Dat is de Dwaas.'

Skord ondergaat een uitgerekt beschavingsproces. Hij leert lezen van een rondtrekkende priester, valt in handen van rovers die zich schuilhouden in het oerbos, het Skulewoud, en gaat met hen op rooftocht. Hij raakt betrokken bij alchimistische experimenten, maakt goud, wordt chirurgijn in het leger tijdens de Dertigjarige Oorlog en eindigt halverwege de negentiende eeuw als magnetiseur. Dan heeft hij zich inmiddels de totale menselijke ervaring eigen gemaakt, het opwaartse streven van de wetenschap, de verschrikkingen van de oorlog, het verval en het verderf van alles wat leeft, en ten slotte de liefde.

Skords langzame leven aan de rand van de mensheid laat hem de vluchtigheid van het bestaan voelen; op zijn tocht door de geschiedenis verdwijnt hij zo nu en dan weer in het Skulewoud, waar de rovers door de jaren heen hun primitieve instincten blijven uitleven. De lezer van De dwaas begrijpt al snel dat de thema's en preoccupaties van Ekman in deze roman, ondanks de bizarre vorm van het verhaal dat zij vertelt, niet wezenlijk verschillen van die in het realistische Zwart water; van de kneuterigheid van een gemoderniseerd sprookje is bij haar geen sprake, ook al omdat Ekman zich wars toont van valse romantiek.

De halfmens Skord tracht zichzelf te verwezenlijken als mens, maar wordt keer op keer op een nietsontziende manier met de zinloosheid van ieder streven geconfronteerd. Achter de menselijke geschiedenis ligt het gistende moeras van de natuur, een ongrijpbaar universum waarin alles dat opbloeit ook weer verrot en vergaat. Die spanning tussen het menselijke streven en het besef van zinloosheid wordt in de roman gaandeweg opgevoerd en blijkt uiteindelijk overweldigend. Ekman rekt haar verhaal namelijk niet alleen uit in de lengte, maar ook in de breedte; in iedere scène die ze beschrijft dringt de natuur zich op een bijna tastbare manier van alle kanten op.

In De dwaas leven de personages in een wereld die oneindig veel groter is dan hun bevattingsvermogen; om hen heen vliegt en fladdert het, pist en poept het, schuurt, knapt, knarst, geurt, stinkt, verdampt of sterft het. Ieder personage - de dominee, de roverhoofdman, de alchimist, de beroemde geleerde, de legerleider, de soldatenhoer - is naast een geest ook nadrukkelijk een lichaam, dat onderdeel uitmaakt van een Schepping waaruit, zoals Skord uiteindelijk leert, de schepper zich heeft teruggetrokken. Het is aan de mens zelf zijn wereld te doorgronden, de verbanden tussen het allerhoogste en het allerlaagste bloot te leggen.

Overweldigend is het woord, ik zei het al. De vanzelfsprekendheid waarmee Ekman in haar roman de wereld naar haar hand zet, de bijna achteloze manier waarop ze haar hoofdpersoon confronteert met het grootste van alle vraagstukken, het inlevingsvermogen in de oneindige verscheidenheid van de natuur, het bonte en panoramische canvas waarop ze haar personages plaatst en het gelaten pathos waarmee Skord ten slotte de grenzen van zijn mens-zijn aanvaardt; dat alles geeft De dwaas een resonans die blijft doorklinken.

Dat Zwart water mij als roman uiteindelijk liever is, ligt waarschijnlijk aan de constructie. Ook in die latere roman begeeft de schrijfster zich ver buiten de grenzen van haar intrige, maar de vele uitweidingen en observaties scheppen daar een atmosfeer die de besloten wereld rondom het bergmeer een extra, ondefinieerbare dimensie geven. Het eeuwenlange leven van Skord in De dwaas blijft een literaire kunstgreep: het zorgt voor een opeenvolging van losse taferelen, zodat zich aan de lezer steeds weer een nieuwe wereld openbaart. De schrijfster geeft het de gelegenheid haar grote thema's expliciet vorm te geven, maar die opeenstapeling van verhalen en landschappen, gebeurtenissen en filosofieën maakte me uiteindelijk een beetje murw. Wie zo overdonderd wordt, maakt zich op een gegeven moment los van het boek en gaat op de bedoelingen van de schrijfster letten.

In Zwart water zijn de thema's zeker niet kleiner dan in De dwaas, maar ze komen als het ware organisch voort uit wat de personages doen; wat filosofisch is, blijft impliciet. Zo gezien is De dwaas een blauwdruk voor die latere roman, een ontwerp dat hier en daar al te nadrukkelijk de hand van de maker verraadt. Een verbluffende blauwdruk en een adembenemend ontwerp, dat wel.

    • Bas Heijne