Einde VN-missie in Rwanda stap dichterbij

ROTTERDAM, 9 JUNI. De 'sterke man' van Rwanda, Paul Kagame, kan tevreden zijn: de “vakantie” van de internationale gemeenschap in Rwanda, zoals hij de VN-missie in zijn land vorige week nog omschreef, heeft zijn langste tijd gehad. Gisteren bereikten vertegenwoordigers van het bewind in Kigali en VN-functionarissen een akkoord over de verlenging van het mandaat van UNAMIR. Opgetogen berichtten VN-medewerkers vanmorgen dat de aanwezigheid van VN-troepen in Rwanda voor de komende zes maanden is veiliggesteld. Maar het aantal blauwhelmen zal binnen vier maanden worden verminderd van 5.500 tot 1.800 en alles wijst erop dat deze verlenging de laatste is. In december valt vrijwel zeker definitief het doek voor de VN-missie.

Kagame heeft al vanaf het begin van de slachtpartij in het land vorig jaar, toen hij nog leider was van de Tutsi-rebellen van het Rwandese Patriottische Front (RPF), consequent kritiek uitgeoefend op het optreden van de volkerenorganisatie. Nooit heeft hij de VN vergeven dat zij na 6 april, toen de slachtpartijen onder Tutsi's en gematigde Hutu's begonnen, aanvankelijk besloten om het aantal blauwhelmen in Rwanda te verminderen van 2.500 tot 500. Ook de eis van de volkerenorganisatie dat het RPF de uit extremistische Hutu's bestaande interim-regering, die opdracht had gegeven tot de moordpartijen, als volwaardige onderhandelingspartner zou erkennen, schoot de RPF-leider in het verkeerde keelgat.

In de euforie na de overwinning van het RPF leek het aanvankelijk toch nog goed te komen. In de lente van de zege was aanvankelijk ruimte voor een nieuw geluid van 'vergeven en vergeten'. Al snel echter werden de oude wonden weer opengereten. Medewerkers van het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR) beschuldigden soldaten van het RPF ervan wraakacties uit te voeren tegen aanstichters van de moordpartijen. De nieuwe, door het RPF gedomineerde, Rwandese regering kookte van woede.

In de maanden daarna ging het van kwaad tot erger. Met name medewerkers van de Veldoperatie van de Verenigde Naties voor de Mensenrechten in Rwanda (HRFOR) maakten zich gehaat. Hoewel hun mandaat hun voorschreef onderzoek te verrichten naar de slachtpartijen van vorig jaar, richtten zij hun aandacht bijna uitsluitend op vermeende mensenrechtenschendingen van het huidige Rwandese bewind. Toen de betrekkingen met de plaatselijke autoriteiten steeds stroever werden, nam de paranoia onder HRFOR-medewerkers toe, aldus de mensenrechtenorganisatie Africa Rights in een recent rapport. Toen een medewerker van het team in Kibungo even moest wachten bij een wegversperring van het leger, raakte een van zijn collega's, aldus African Rights, geheel in paniek: “Jullie weten niet wat het leger kan doen. Ze zullen hem vermoorden. Hij is zo goed als dood als ze hem bij hun wegversperring hebben.”

De slachting in het ontheemdenkamp Kibeho was de druppel die de emmer deed overlopen. Bij een mislukte poging van het leger om het kamp te ontruimen kwamen daar op 22 april honderden mensen om het leven, een aantal door vertrapping maar ook een aantal door, in de woorden van de onderzoekscommissie die het gebeurde onderzocht, “overmatig geweld” van het leger. Het bewind in Kigali reageerde furieus toen VN-functionarissen, evenals internationale hulpmedewerkers, suggereerden dat er duizenden doden waren gevallen. “Boutros sliep toen een miljoen mensen werd afgeslacht”, scandeerden betogers in Kigali.

In de ontwerp-resolutie die de Veiligheidsraad waarschijnlijk vanavond aanneemt, wordt nog een laatste poging ondernomen om de regering in Rwanda te paaien. Boutros Boutros-Ghali moet, aldus het ontwerp, gaan overleggen met buurlanden van Rwanda als Zaïre over de stationering van VN-waarnemers op vliegvelden om de aanvoer van wapens voor Hutu-extremisten stop te zetten. Of die landen daarmee instemmen, is zeer de vraag. Of het de verbittering van de Rwandese regering zal verminderen, evenzeer.