Dilemma achter arrestatie van anti-fascisten in Utrecht

UTRECHT, 9 JUNI. Het dilemma luidt: voorrang voor de openbare orde of voor de rechtsorde. De kwestie is opnieuw opgeworpen door het onderzoek van het Crisis Onderzoek Team (COT) van de universiteiten van Leiden en Rotterdam naar de arrestaties tijdens het demonstratieverbod op 4 maart in Utrecht.

Het verbod was afgekondigd om ongeregeldheden rond een voorgenomen demonstratie van CP'86 te voorkomen. Het overheidsoptreden op die dag bevatte “zowel elementen van een succes als van een fiasco”, concludeert het onderzoeksteam onder leiding van prof.dr. U. Rosenthal. Het succes was dat er geen confrontatie tussen extreem-rechts en tegen-demonstranten plaats had; de aanhangers van CP'86 waren naar elders uitgeweken. In de Utrechtse binnenstad bleef alleen nog een politiemacht over tegenover een groep van 150 anti-fascisten, en daarmee begon het fiasco.

In het ideale geval zijn de rechtsorde en de openbare orde integraal onderdeel van het beleid, maar “in de praktijk blijkt die integratie vaak ver te zoeken”, aldus het COT. In Utrecht had de openbare orde de prioriteit, maar het politie-optreden had van meet af aan een justitiële basis: voorkomen dat het demonstratieverbod zou worden overtreden. Het effect was potsierlijk: massa-arrestaties terwijl er niets was gebeurd. Vervolgens opsluiting in de kille catacomben van stadion Galgenwaard.

De crisis-onderzoekers bepleiten een flexibeler opstelling van de autoriteiten. Niet alleen moeten demonstraties van extreem-rechts niet meer reflexmatig worden verboden, maar ook moet de overheid bij mogelijke ordeverstoringen verschillende scenario's achter de hand houden. In Utrecht was al ruim tevoren na alarmerende berichten van de inlichtingendiensten een trein in beweging gezet die daverend haar doel voorbij schoot.

Op dat moment bestonden ook binnen de driehoek (burgemeester, korpschef en hoofdofficier van justitie) al twijfels of de trein wel op het goede spoor was. Een lid van het drietal - onopgehelderd blijft wie - suggereerde om maar naar huis te gaan, omdat optreden toch geen zin had. “Men had beter in de stad kunnen rondlopen om zo de sfeer te proeven”, parafraseert het COT-rapport een van de gezagsdragers.

Niettemin had Rosenthal er gisteren toch waardering voor dat de gezagsdragers op 4 maart op hun post bleven. “We hebben in Nederland ook grootschalige ordeverstoringen gehad waarbij de driehoek schitterde door afwezigheid.”

Maar het is zaak dat de overheid zich grondiger verdiept in de risico's en niet routineus scenario's van elders kopieert. Veelzeggend is de suggestie van de onderzoekers om verkenners in te zetten voor “sfeerbeelden vanaf de straat”. Dat het in de binnenstad uiterst rustig was, “was in zekere zin psychologisch ongewenste informatie.”

Burgemeester I. Opstelten incasseerde alle kritiek van het COT met de constatering dat de driehoek dit zelf ook al had toegegeven.

Het gebruik van het gewraakte 'uniformverbod' - artikel 235a van het Wetboek van Strafrecht dat in 1933 in de strijd tegen de NSB werd ingevoerd - was inderdaad eerder als onjuist erkend. Maar ook de toepassing van de Wet op de Openbare Manifestaties deugde vaak niet, aldus Rosenthal. Mensen werden aangehouden die slechts hadden bevestigd dat ze wilden gaan demonstreren, en zo'n voornemen kan geen reden tot aanhouding zijn. Rosenthal toonde zich ook verbaasd dat mensen werden aangehouden en pas daarna te horen kregen waarom dat was gebeurd.