De werkengel

Een slapeloze nacht is een gatenkaas van aanwezigheid en absentie, meestentijds verkeert men in het door de stad vergeten huis, soms tuimelt men in een gat van afwezigheid. Dan versmelten de foto's uit Grozny, de rede van Kohl in Rotterdam en de opflakkerende videobeelden uit Sarajevo. Dan verspreidt mijn neo-cortex een kleine koepel licht en ben ik gegijzeld door een plek hier ver vandaan, hier vlakbij, van lang geleden en vandaag. Dan is het ochtend en niet zomaar een ochtend, nee, de grote nieuwe ochtend: een niet meer zo jonge man slaat het luik van de schuilkelder open en even nadat de pijn uit zijn door zon overrompelde ogen is verdwenen stoot hij een schallende klank uit. Ik zit hongerig op een uitgebrande wasmachine met mijn rug naar de stad die er niet meer is en zie de man in overall uit zijn schuilplaats komen.

Achter de broekspijpen van zijn overall kijken een jonge vrouw met ongekamde haren en een kind met een smerig gezicht nieuwsgierig naar buiten. Net als hij hebben ze een week in de kelder van het luxe hotel geleefd, gerild bij kaarslicht en taaie broodkorsten gekauwd. Buiten woedde het noodweer van de geschiedenis. Het hotel dat op de kelder stond is een stenen walvislijk geworden, alle vorm is eruit geweken. Het ruikt naar smeulende kunststof. Het zonlicht schittert op de glasscherven.

De man (zijn gezicht komt me bekend voor) klopt het stof uit zijn overall en kijkt naar de schone hemel. Dat komt, hij kijkt in de richting van waaruit de wind komt, door de westenwind. Achter hem staan nog torenhoge zwarte rookkolommen op de puinhopen. Hij luistert naar het blauw daarboven en stelt glimlachend de afwezigheid van straalmotoren en propellers vast.

Het kind staat nu naast hem, veegt de plakkerige haren uit het gezicht en klemt een vuist om de zoom van zijn vaders overall. Sprakeloos staat hij voor zich uit te staren. Dat alles er ook niet kon zijn, daar had hij nooit aan gedacht. Deze ochtend is het bewijs. Dit bewijs is van hem, voor altijd.

De vrouw sluit even de ogen en zucht, alsof ze een week haar adem heeft ingehouden. Haar lippen bewegen en ze knikt bijna onmerkbaar alsof ze iemand bedankt. Ze weet, nog even en ze zullen weer met elkaar gaan praten en plannen maken, problemen oplossen, anderen zoeken en handel drijven om te overleven. Maar deze stilte tussen de vernietiging en de wederopbouw, die paar seconden, moet ze haar hele leven niet vergeten. Ze prent zich de harde schoonheid van dit dode moment in. Dit is van haar.

De man die ik bekijk noem ik werkengel, al is ie niet mooi. Hij klapt in de handen en haalt diep adem. Het is lente. Zijn borstkas zet uit. Dit is zijn moment. Deze man zonder macht of contacten leeft en overleeft, maar was hij al eerder een engel? Nee, hij kon het pas worden nadat zijn geboortestad, dat stenen moederlichaam waarin hij leefde met de grond gelijk gemaakt is. Hij wordt het nu pas, nu hij aan het werk gaat. Nu hij uit de kelder is gekropen, zijn armen opheft en dat geluid maakt met zijn keel. Hij slingert het zijn mond uit en laat het over de puinvlakte schallen.

Welk geluid, dan toch verdomme?!

Geloof het of niet, hij zingt, zo noemen we dat. Hij zingt over moordenaars en barbaren, over dode vrienden en verdwenen steden, maar hij zingt! Ik zit nog steeds toe te kijken, de steeds fellere zon in mijn gezicht. Het stof kriebelt in mijn neus. In de verte hoor ik rupsvoertuigen naderen. Grommen en ratelen. Op slag is mijn dorst en hongergevoel verdwenen. Ik ben bang en sta op. Dan houdt de werkengel op met zingen en onze blikken kruisen elkaar. Even lijkt het of we elkaar al kennen, maar ik weet niet waarvan. Hij daalt alweer af, de schuilkelder in. Zijn linkerhand ondersteunt het luik boven zijn hoofd. Hij wenkt me en ik zet het op een lopen naar de schuilkelder, zo snel als mijn kapotte schoenen dat toelaten. Ik spring over een uitgebrande motorfiets, struikelend kom ik op de werkengel af en en herken hem, dit is de jonge Bert Schierbeek.

Dan krimpt het licht, de ochtend en de verbrande stad maken weer plaats voor de slapeloze nacht in mijn huis van vreemde vrede.

    • Dirk van Weelden