De vestingwerken, dammen, bruggen en sluizen van het kunstwerk Nederland; Bezielde rekenlinealen

Wie zou er op het idee zijn gekomen dat er land onder de zee vandaan kon worden gehaald? De tentoonstelling 'Nederland als kunstwerk' in het Architectuurinstituut laat aan de hand van kaarten, schilderijen en modellen zien hoe ingenieurs in de loop van de tijd land, water en wind naar hun hand hebben gezet. 'Als alles gemaakt en bedacht en ontworpen is, is er dan nog plaats voor ontroering?'

Nederland als kunstwerk, t/m 3 sept. in het Nederlands Architectuurinstituut, Museumpark 25, Rotterdam. Gelijknamig boek, 277 blz., uitg. NAi, ƒ 85,-.

Alfa Romeo piep kraak Tango. Rembrandt ready for take-off. Rembrandt, dat zijn wij, in onze donkerrode vierzits libelle die klaar staat om op te stijgen van Zestienhoven. Eén tel later vliegen de vogels onder ons door. Het kunstwerk Nederland - dit landschap van eigen makelij, in de loop van eeuwen bedacht en met steeds geraffineerder technologie tot stand gebracht - laat zich het beste van boven af bekijken. Een landschap dat van zijn bewoners trouw eist in de vorm van waakzaamheid en onderhoud, en dat van hen afhankelijk is voor zijn voortbestaan: zonder hun zorg zou het nog veel sneller wegspoelen dan zij het hebben kunnen aanleggen. Een kolossaal geval van land art, maar dan uit noodzaak ontstaan.

In het Nederlands Architectuurinstituut loopt de tentoonstelling Nederland als kunstwerk, een overzicht van vijf eeuwen boetseren aan dammen en dijken, sluizen en stuwen, rivieren en polders, verkavelingen en afwateringen. Turend onder de vleugels van Rembrandt door zoek ik antwoord op de vraag die verder gaat daar waar de tentoonstelling ophoudt: is Nederland louter een ingenieursparadijs, gebouwd op nut en noodzaak en van logica doordesemd, of hebben al die eeuwen van technisch vernuft ook nog schoonheid teweeg gebracht?

In de loop van een aantal eeuwen hebben bestuur en techniek en de onuitroeibare hang naar ordening in Mondrianeske vierkanten en rechthoeken een land in het leven geroepen dat bewondering voor de prestaties van de makers afdwingt, maar ook een zekere huiver. Onder ons raast de schaduw van het piepkleine vliegtuigje over het land dat zo vlak lijkt maar in werkelijkheid uit laag op historische laag is opgebouwd: eerst werd het land zelf veroverd op het water en daarna gestoffeerd met wat zo prachtig heet 'civiele kunstwerken' als bruggen en sluizen en dammen. Als alles gemaakt en bedacht en ontworpen is, is er dan nog plaats voor ontroering?

Er zijn inderdaad plaatsen in Nederland die je hart doen opspringen. Soms zijn dat plekken die zich aan de kunstmatigheid van de Nederlandse natuur lijken te onttrekken: intieme, bijna nostalgische taferelen langs de kronkelende rivierdijken, bijvoorbeeld. Maar veel vaker is het de esthetiek van de vooruitgang die indruk maakt. Er zijn grootse monumenten als de Deltawerken of de Noordoostpolder: ze benadrukken juist de technische overwinning op de elementen, en voegen daardoor iets heroïsch toe aan het vlakke land. Ze stijgen boven hun functie uit en worden symbolen van de triomf van de ingenieurs.

Onder de rechter vleugel door is te zien hoe de akkers en het rooster van smalle rechte waterwegen abrupt daar ophouden waar een doffe glinstering begint: het kassengebied, met dorpen ingeklemd in de hoekige restruimtes tussen die grote dozen. Alsof het Westland niet met asfalt is geplaveid, maar met glas. Erachter kondigen rookpluimen Europoort al aan, een industriële wildernis van waterwegen omzoomd door kranen, buizen, schoorstenen en kunstmatige schiereilanden bespikkeld met opslagtanks. Van hier af gezien zijn de ronde tanks net kraters op de maan, hoe langer je er naar kijkt hoe minder zeker je weet of ze recht omhoog steken of in de aarde verzinken.

De rode libelle scheert laag over het nieuwste Nederlandse kunstwerk: de stormvloedkering in aanbouw in de Nieuwe Waterweg. Dit sluitstuk van de Deltawerken moet het economische hart beschermen tegen de meest ondenkbare rampspoed: een overstroming die statistisch gezien één keer in de tienduizend jaar zou kunnen voorkomen. De werken zijn op navenant grote schaal. Bij hoog water schuiven twee deuren de rivier in die ieder vijftienduizend ton wegen, draaiend op reusachtige scharnieren en heen en weer bewogen door driehoekige stalen armen die bijna even hoog zijn als de Eiffeltoren.

Zo gaat dat hier: geen Eiffeltorens of Crystal Palaces, maar technologische prestaties tot nut van het algemeen in de grond en onder het water. Het Cruquius-gemaal, bijvoorbeeld, de ventilatiegebouwen van de Maastunnel, de Deltawerken: dat zijn de Nederlandse torens en paleizen.

Vestingen

De tentoonstelling Nederland als kunstwerk laat aan de hand van een groot aantal kaarten, schilderijen, tekeningen en modellen zien hoe ingenieurs in de loop van de tijd land, water en wind naar hun hand hebben gezet. De vroegste patronen zijn gelegd door lokale afwateringssystemen, verkavelingen, polders, dijken en (water)wegen. Daarna zijn geleidelijk de grotere ingrepen met ijzer, staal en beton gekomen, zoals bruggen over de grote rivieren, de sluiscomplexen bij de Afsluitdijk en de Zuiderzeewerken en de zwevende betonlinten van het Prins Clausplein.

Een grote stalen toren in het hart van de tentoonstellingszaal, met een wenteltrap die aan het interieur van het Cruquius-gemaal herinnert, dient als portettengalerij voor Nederlandse ingenieurs als Simon Stevin, Johan Sems, Melchior Bolstra en Jan Blanken. De expositie behandelt vijf thema's: de stad, het landschap, de techniek, de rivieren en het ontwerp. Met een knipoog naar de actualiteit is er een fraai ingekleurde ets uit 1799 uitgekozen van de dijk bij Ochten, die nu eens niet door water maar door kruiend ijs wordt bedreigd. Eerder die eeuw was het hele Nederlandse dijkenstelsel in gevaar door de paalworm, waarvan een tamelijk weerzinwekkend exemplaar op sterk water te zien is. In een vitrine staat een model van de door stoom aangedreven baggermolen waarmee de Nieuwe Waterweg werd uitgegraven geen modder maar erwten te scheppen. De tentoonstelling maakt zichtbaar wat ieder kind hier op school heeft geleerd, namelijk hoezeer Nederland door verdediging is gevormd: tegen het water altijd, tegen mensen - Spanjaarden, Fransen, Duitsers - soms.

De samensteller van de expositie, architectuurhistoricus Toon Lauwen, neemt als beginpunt voor de intrede van de ingenieurskunst in Nederland - het methodisch ontwerpen van het landschap op wetenschappelijke basis - de vestingbouw. Die werd geïntroduceerd door Italiaanse ingenieurs, die al in de laat-vijftiende eeuw wiskunde en perspectieftekeningen waren gaan toepassen. Een van hen, Donato di Boni Pelluzuoli, werd in 1540 zelfs hofingenieur onder Karel V. De vestingsteden kregen sierlijke driehoekige bastions, brede grachten en achteroverhellende muren die bij de inslag van een kanonskogel niet direct omvielen. De Hollandse Waterlinie toonde aan dat het water behalve vijand, bij tijd en wijle ook bondgenoot kon zijn. Geërgerd schreef Alva: “Om alle oorden, ja zelfs het allerellendigste gat, ligt een greppel vol water, waar eerst een brug over moet worden gebouwd voor men kan oversteken.”

Honderden meters onder mij koestert Den Briel zich nog altijd in de bescherming van zijn wallen. Ze lijken in lagen over elkaar heen te liggen, als de bloemblaadjes van een dahlia met water rondom. Onder dreiging van dood en verderf, realiseer ik me, is iets van grote schoonheid ontstaan. Zullen de ontwerpers van toen zich hebben gerealiseerd, dat het ook nog mooi was wat ze maakten?

Bruggen

Eeuwenlang hebben de belangen van de steden voorop gestaan in de ruimtelijke ordening van Nederland. Dat veranderde in de negentiende eeuw, mede door koopman-koning Willem I die in 1813 de troon besteeg. Hij zag in dat de handel behoefte had aan een wegennet en liet onder andere het Noordhollands Kanaal graven - met de hand. Vijftien jaar daarvoor was er al een bureau ingesteld voor nationale civiele werken; deze voorloper van Rijkswaterstaat, die nu meer dan tienduizend medewerkers heeft, telde toen veertien waterbouwkundigen en twintig ambtenaren. In 1816 stelde de koning het 'Corps Ingenieuren van de Waterstaat en Publieke Werken' in, een op Napoleontische militaire leest geschoeide elite-organisatie waarvan de leden geuniformeerd gingen.

In de loop van de vorige eeuw werd het uiterlijk van Nederland steeds meer bepaald door de vormentaal van zijn civiele kunstwerken. De druk van het verkeer neemt toe en over het eeuwenoude landschap wordt een tweede laag gelegd, een nieuwe infrastructuur van sluizen en stuwen, kanalen en landwegen en spoorwegen. Eén soort civiel kunstwerk heeft echter lange tijd ontbroken: bruggen over de grote rivieren. Na Willem I was Nederland liberaler geworden; de spoorwegen waren in particuliere handen en bruggen werden te duur bevonden. Terwijl Frankrijk en Engeland al in 1830 ijzeren hang- en boogbruggen met overspanningen van 150 meter hadden, werden in Nederland in 1860 de verbindingen over de rivieren nog met ponten onderhouden.

Alleen al het feit dat Nederland bestaat, is een hommage aan degenen die over de fantasie beschikten om zich een niet-bestaand land in te denken. Wie zal er als eerste op het idee zijn gekomen dat er land onder de zee vandaan kon worden gehaald? Maar die hele artificiële constructie kan even benauwend zijn als vernuftig. Er is amper een plek te vinden waar je niet òf met je medemens wordt geconfronteerd, òf met zijn sturende hand: van vaarten en dijken tot en met kerktorens en hoogspanningsmasten en het geluid van een snelweg of spoorlijn. Een enkele keer doemt er zelfs een soort berg op aan de horizon, die meestal een vuilstort blijkt te zijn die als skischans is ingericht. Nederland is kampioen in de recycling. We hebben de gemanipuleerde natuur in ons hart gesloten, inclusief bollenvelden, vierkante tomaten en lanen met leilinden, de Nederlandse tegenhanger van het bonzaiboompje. 'Tucht en onderhoud hebben een ziel uit één stuk gesmeed,' schreef Le Corbusier in 1932 naar aanleiding van een 'Winterreis' naar Holland.

Een immense hemel

De Rembrandt neemt een kijkje boven een camping: recreatiebarakken in rotten van tien. Ook een soort vestingstad, eigenlijk. Kennelijk zijn we zo afgericht door eeuwen samen schuilen op een terp, dat we nu uit eigen vrije wil op een kluitje bij elkaar gaan zitten, als koeien met de kont naar het onweer. 'De goede God heeft een immense hemel boven Holland neergezet, met wolken die door de zeewind worden verjaagd,' aldus Le Corbusier. 'Het is wellicht ten gevolge van deze zo grandioze beweging van de immense hemel dat de Hollanders besloten hebben om kalm in hun dorpen te bestaan, op aarde, tussen de nijpende grenzen van die andere beweging: die van het water.'

Zoals er een recept voor nieuw land bestaat, met om de zo veel meter greppels en vaarten en gemalen, zo eenvoudig lieten de grote nieuwe polders zich bevolken. Een promotiebrochure over de Zuiderzeewerken van de Vereniging Nederland in den Vreemde uit 1960 beschrijft dat proces: 'Sedert 1948 zijn achtereenvolgens alle tien [geplande dorpen in de voormalige Zuiderzee] tot stand gekomen. Er is in vrijwel elk dorp een bakker, een kruidenier, een slager en een manufacturier gevestigd, terwijl ook de kapper, de smid, de timmerman en op verschillende plaatsen ook de garagehouder en de loonwerker (loonploegers, -dorsers e.d.) al vrij spoedig de aanvankelijk voornamelijk uit landarbeiders bestaande bevolking kwamen versterken. Voegt men hierbij nog de caféhouder, de onderwijzers van de meestal drie lagere scholen, de geestelijken (elk dorp telt doorgaans drie kerken), een arts, enkele ambtenaren van openbare diensten (posterijen, enz.) en het beeld van de dorpsbevolking is compleet. Ten behoeve van de recreatie is bij elk dorp een klein wandelbos aangelegd, en ook de begraafplaats ontbreekt niet.' Ik hoor Philip Bloemendaal en ik zie het decor van Alex van Warmerdams film De Noorderlingen. Geen wonder dat de samenleving lange tijd net zo maakbaar leek als het land zelf.

We vliegen op Zeeland aan. Vanaf deze hoogte lijkt het water als een dun vlies over het zand heen getrokken. Is op het land alles gericht op het rechttrekken van wat krom is, in het water zijn de lijnen juist gebogen - afwerend naar de zee, beschermend, haast liefdevol om de schouders van het land. Hier en daar in het water liggen lage stenen golfbrekers, schijnbaar willekeurig gerangschikt als soepsliertjes in een bijna leeg bord. Maar ik weet dat die willekeur schijn is, want niets in dit landschap gebeurt zonder reden. En het meest wonderlijke van alles is dat daar schoonheid uit voorkomt, ook voor wie het technische nut of de noodzaak niet doorgrondt.

De inrichting van dit deltagebied is niet in eerste instantie ingegeven door de hang naar esthetiek, maar door noodzaak; als er al schoonheid ontstond was dat een bijprodukt. Daar is in de vorige eeuw verandering ingekomen, toen Nederland op grote schaal zijn infrastructuur begon te ontwikkelen en er doelbewust grote objecten aan het vlakke land werden toegevoegd. Tot ergernis van de ingenieurs, ontwerpers van het functionele, werd er voor de esthetiek steeds weer gekeken naar de architecten, bouwers van het schone. In 1918 al klaagde ir. Harmsen van de Directie Bruggen van Rijkswaterstaat over het idee dat hij 'een min of meer met leven bezielde rekenlineaal is, die zonder leiding van den architect niet in staat is een bouwwerk te maken (-) dat ook nog het aankijken waard is'.

Neeltje Jans

In de loop van deze eeuw hebben ontwerpers en opdrachtgevers steeds meer gestreefd naar schoonheid in technische bouwwerken. Begin jaren twintig stelde Amsterdam al een esthetisch adviseur aan die erop moest toezien, dat de nieuwe generatie bruggen voor het toegenomen verkeer in overeenstemming waren met het stadsbeeld. In de jaren dertig deed de Dienst der Zuiderzeewerken een beroep op architect Dirk Roosenburg om het gemaal Lely bij Medemblik en de sluiscomplexen van de Afsluitdijk te ontwerpen. En de architect Wim Quist heeft een belangrijke stempel op de Deltawerken gedrukt, waar hij behalve de pijlerkoppen ook het museum op het werkeiland Neeltje Jans ontwierp.

De trend naar een steeds opvallender esthetiek blijkt uit diverse bruggen die de laatste paar jaar door architecten zijn ontworpen, bijvoorbeeld de nieuwe brug over de Spaarne van Thijs Asselbergs en een reeks 'kippenbruggetjes' in de Amsterdamse uitbreidingswijk Sloten van Moshé Zwarts en Rein Jansma. Het gemeentebestuur van Rotterdam besloot twee jaar geleden om dertig miljoen gulden extra uit te geven aan Ben van Berkels ontwerp voor de Erasmus-brug, bijgenaamd De Zwaan, omdat het mooi is. Van Berkel is eveneens de ontwerper van de nieuwe Piet Hein-tunnel die de nieuwe woonwijken in het oosten van Amsterdam moet ontsluiten - de enige verkeerstunnel waarvan ik de naam van de ontwerper weet.

Nederland is van deze technische toevoegingen mooier geworden. In een land met veel wildernis en woestenij als Amerika zou dat niet noodzakelijk het geval zijn, maar voor Nederland, toch al een kunstmatige constructie, zijn ze een verrijking. De civiele kunstwerken vatten dat karakter samen, ze symboliseren de interventie door mensenhand - ze zijn er de overtreffende trap van.

Op de terugweg naar Zestienhoven voeg ik vanuit het vliegtuig een nieuwe plek toe aan mijn bestand van bijzondere civiele kunstwerken. Aan de zuidrand van Europoort staan ze, de drie geserreerde rijen betonnen elementen die Maarten Struijs, ontwerper bij de Dienst openbare werken van de gemeente Rotterdam, ontwierp als een windscherm voor logge containerschepen. De ene geknikte rij bestaat uit vierkante panelen, de middelste uit smalle halve cilinders, de derde loopt in een flauwe bocht van brede halve cilinders. De zon valt er schuin op en hun scherpgestoken schaduwen mengen zich met die van wuivende populieren erachter. Dit is een van die speciale plekken waar Nederland inderdaad een kunstwerk is - plekken waar bewondering omslaat in ontroering, die zich loszingen van het klei en het zand om naast het functionele bestaan nog een eigen, ongebonden leven te leiden.