De uitvindster van het recept voor geluk; Het dubbelleven van dagboekschrijfster Anaïs Nin

Dat Anaïs Nin knettergek was is onbetwistbaar, en op zichzelf niet zo interessant. Wel interessant is de aard van haar gekte. Deirdre Bair schreef de biografie van een schrijfster met een pathologische behoefte aan aandacht en liefde. “Nin heeft haar hele leven geploeterd, niet om mooie boeken te schrijven, maar om erkend te worden als de bijzonderste vrouw van de wereld.”

Deirdre Bair: Anaïs Nin, A Biography. Uitg. Bloomsbury, 654 blz., geïll. Prijs (geb.) ƒ 63,-.

In een fotoboekje dat in 1974 verscheen als aanvulling op de dagboeken van Anaïs Nin - bestsellers in die tijd - staat een kiekje van de schrijfster op een gekostumeerd feest. Zij ziet er bespottelijk uit met een vogelkooi over haar hoofd en borsten die bloot zijn, afgezien van onduidelijke dingetjes (het zijn oorbellen van luipaardvel) die op haar tepels zijn geplakt. Naast haar staat een naïef kijkende jongeman, deels beschilderd, deels behangen met ogen. Een bijschrift leert dat het feest in de jaren vijftig in Los Angeles plaatsvond onder het motto Come As Your Madness. De man naast Nin heet kortweg haar escort.

Nu staat diezelfde foto (minder hoog afgesneden, zodat ook de gênante gekostumeerde onderlijven te zien zijn) in Deirdre Bairs omvangrijke biografie van Anaïs Nin. Maar de lezer komt twee dingen te weten die hij uit de dagboeken nimmer heeft kunnen opmaken: ten eerste dat Nin op die foto zeker vijftig is, en voorts dat de naamloze escort de zestien jaar jongere Rupert Pole is, letterlijk haar tweede man. Anaïs Nin heeft er jarenlang aan elke kant van het Amerikaanse continent een echtgenoot op na gehouden, zonder dat de een van het bestaan van de ander wist. Hoe oud Nin was wist Pole trouwens net zo min als haar lezers.

Niet alleen deze tweede man is in de dagboeken - liaries heeft iemand ze genoemd - niet terug te vinden; ook de eerste ontbreekt. Met Hugo Guiler was zij al in 1923 op Cuba getrouwd, en hij heeft Nins hele bestaan zoals dat in de dagboeken wordt beschreven mogelijk gemaakt.

Hugo Guiler is zonder twijfel het meest tragische personage in Bairs biografie. Hij was een keurige jongen uit Boston, drieëntwintig toen hij kennis maakte met het exotische achttienjarige meisje, dat overal haar dagboek mee naar toe sjouwde en tegen de zin van haar moeder voor schilders poseerde. Anaïs had geen opleiding, zij was arm, een flirt en bovendien nog katholiek: Guilers ouders waren fel tegen de verbintenis.

Hugo's tragedie was dat hij zich kunstenaar voelde. Hij had ook een dagboek en schreef net als Anaïs gedichten. Hij verwachtte dat zij hem zou helpen om zijn artisticiteit te ontwikkelen, terwijl hij voorlopig het geld zou verdienen met het bankierswerk waarvoor zijn familie hem had bestemd. Maar dat viel tegen. Zijn vrouw had weinig belangstelling voor zijn kunstzinnige neigingen, en zelfs niet voor zijn goedbedoelde kritiek op haar werk - Anaïs Nin duldde uitsluitend bewondering.

Met zijn salaris moest Guiler niet alleen haar, maar ook haar moeder en broer onderhouden, en na een paar jaar huwelijk zelfs haar minnaars, onder wie de notoire uitvreter Henry Miller. Na de oorlog ging zijn geld zelfs naar de spaarrekening van Nins Californische kanjer, die zij nodig had omdat het geregelde bestaan van bankiersvrouw haar nu eenmaal niet bevredigde. (Maar ook omdat hij haar lichamelijk meer bood dan Hugo - tussen de regels lees je dat Rupert weliswaar arm was, maar rijk bedeeld door de natuur.) Slechts de onvoorwaardelijke aanbidding van Anaïs hadden de twee mannen gemeen.

Verzadigd

Anaïs Nin (1903-1977) was geboren in Parijs. Haar moeder was van Deens-Cubaanse afkomst, haar aanzienlijk jongere vader, Joaquìn Nin, een Spaans-Cubaanse pianist. Toen deze zijn gezin na een tiental jaren in de steek liet, gingen moeder en kinderen (Anaïs had twee jongere broers) in New York wonen. Van haar huwelijk tot de Tweede Wereldoorlog woonde Nin weer in Parijs, daarna tot haar dood in de Verenigde Staten.

Met enige verbazing merkt de biografe op hoe veel van haar zegslieden verklaarden dat Anaïs Nin helemaal geen serieuze biografie verdient. Maar daar tegenover vindt de lezer twee onbetwistbare feiten: dat haar leven in elk geval kleurrijk en afwisselend was, en dat deze biografie, behalve serieus, ook buitengewoon leesbaar is. Bovendien moet het voor de vele lezers van Nins dagboeken toch ook interessant zijn te vernemen hoe veel daarin is gelogen en weggelaten, en hoe je er letterlijk nooit van op aan kunt dat wat er in staat enige historische waarde heeft, terwijl er wel degelijk bestaande personen in voorkomen.

Overigens verschijnen op dit moment wat Nins biografe met sarcastische aanhalingstekens de 'ongekuiste' dagboeken noemt; de Nin-markt is kennelijk nog steeds niet helemaal verzadigd. En dat terwijl het allerpikantste detail dat in de eerste reeks gepubliceerde dagboeken verzwegen was, de incest met haar vader, in de tussentijd al is behandeld in het boek Incest.

Ook Bair vertelt natuurlijk hoe Anaïs Nin in 1933 een paar weken lang een gepassioneerde verhouding met haar vader Joaquìn heeft, de man die haar als kind had gekleineerd en geslagen. De keurige Amerikaanse biografe onthoudt zich van commentaar - alleen in de voetnoten verraadt een imposante reeks namen van geraadpleegde psychologen, psychiaters en hun publikaties (ergens wordt zelfs een hele werkgroep in 'Psychoanalysis and Feminism' bedankt) hoe Deirdre Bair zich bij dit alles voelt.

De Parijse tijd is Nins wildste, meest onverzadigbare. In 1933 hield zij het op een gegeven moment met haar man, Henry Miller, de Franse schrijver Artaud, haar psychiater Allendy en Joaquìn Nin. Het 'recept voor geluk' dat zij in haar dagboek noteerde was 'meng het zaad van vier mannen op één dag'. Lichamelijk ging ze er bijna aan kapot, maar haar behoefte te worden bemind was tenminste bevredigd.

Een van de verdiensten van deze biografie is dat het oordeel over de hoofdpersoon ervan aan de lezer wordt overgelaten. De schrijfster, die niet bang is om zo nu en dan de dodelijkste opmerkingen over haar onderwerp te maken, blijkt warempel zo nu en dan in staat een gunstig licht te werpen op opinies en geschriften van Anaïs Nin. Al met al noemt zij haar een 'major minor writer', oftewel een goede tweederangs schrijfster. In haar inleiding verdedigt zij het standpunt dat het dit soort schrijvers is, dat het mogelijk maakt een tijdperk, een beschaving te begrijpen - niet het enkele genie dat daaraan ontstijgt. En daar zit zeker iets in.

Juist de jarenlange miskenning van Nins geschriften (met de dagboeken had zij meer dan dertig jaar geleurd voor ze in 1966 begonnen te verschijnen) droeg bij tot hun geheimzinnige aantrekkingskracht. Toen de doorbraak er eenmaal was, in de jaren zestig en zeventig, hebben honderdduizenden lezers, met een sterke oververtegenwoordiging van hoogopgeleide jonge vrouwen, inspiratie geput uit Nins werk. De geëxalteerde toon en de combinatie van seks met artistieke pretentie vormden een onweerstaanbare cocktail waarin iedereen kon proeven wat zij wilde. Sabina, de hoofdfiguur van Een spion in het huis van de liefde was het prototype van de vrouw die haar mogelijkheden en grenzen verkende.

Deirdre Bair schreef eerder biografieën van Samuel Beckett en Simone de Beauvoir, mensen die zij allebei nog heeft kunnen spreken voor hun dood. Bij Nin was dat niet zo. Wel heeft deze een dagboek van een kwart miljoen bladzijden (in minutieus handschrift) nagelaten. Maar zo'n onafzienbaar egodocument is een gemengde zegen voor de biograaf, vooral omdat Nin haar dagboeken tot in het oneindige herschreef, overtikte, indexeerde en mooier maakte. Er zijn mensen die altijd hebben gedacht dat Nin ze een stapel oorspronkelijke dagboeken in bewaring had gegeven, tot Bair ze een halve eeuw later uit de droom hielp met de mededeling dat het in werkelijkheid zwaar herschreven, zoveelste versies waren geweest.

Het ontcijferen en ontwarren van de tegenstrijdige informatie van Nin zelf, die ook nog een dwangmatig brievenschrijfster was - geen wonder dat haar romans nogal dunnetjes bleven - hield de biografe jaren bezig. Een van de belangrijkste mondelinge bronnen voor deze biografie was Rupert Pole, die zijn levensavond slijt in een blinde cultus van de dode vrouw die nooit rechtens de zijne is geweest.

Vuur uit de sloffen

Dat Anaïs Nin knettergek was is onbetwistbaar, en op zichzelf niet zo interessant. Wel interessant is de aard van haar gekte. Die leidde niet tot een geniale artistieke produktie, maar werkte ook weer niet uitsluitend destructief. Al haar tomeloze energie was gericht op haar eigen ego. Haar waanzin was haar behoefte aan aandacht, liefde en erkenning; uit dit boek blijkt hoe zij bereid was zich voor mensen het vuur uit de sloffen te lopen, als zij in ruil maar de adoratie kreeg waarop zij leefde.

Illustratief voor Nins manier van denken is een komisch zinnetje uit 1930 waarin zij klaagt dat uitgevers haar manuscripten afwijzen 'zonder dat zij mijn gezicht willen zien' - wie haar magnetische persoonlijkheid, haar kleine stemmetje met de exotische tongval en de blik van haar zwaar gemaquilleerde ogen had ontmoet, die moest immers wel voor de bijl gaan.

Elke man die haar interesseerde werd verleid, elke recensent die over haar schreef kon een stortvloed aan brieven verwachten. Schaamteloos spande zij beroemdheden voor haar karretje - met als verre morele rechtvaardiging misschien dat Henry Miller háár zowel literair als materieel had geplunderd in hun Parijse jaren. En daarbij kwam het pathologische liegen en draaien.

Ademloos (alleen al van plaatsvervangende uitputting) lees je hoe Nin jarenlang een dubbelleven leidde met twee mannen, twee huizen, twee kennissenkringen. Zij noemde dit bestaan 'de trapeze', en hoewel vrienden zoals Gore Vidal, en psychiaters haar bezworen ermee op te houden, zij kon het niet. Keer op keer verzon zij zieke familieleden, nonexistente vriendinnen, opdrachten van gefingeerde tijdschriften, toezeggingen van illustere inleiders voor haar boeken, om maar haar zin te krijgen en het leven te kunnen leiden dat zij wilde. Dat zij daarbij iedereen, ook uitgevers en collega-schrijvers in de pijnlijkste situaties plaatste leek haar te ontgaan.

Het gevoel dat mij het hele boek lang niet verliet was, dat Nins gekte wel een heel specifiek vrouwelijk soort van gekte was. Een gekte die past in het klassieke patroon dat Simone de Beauvoir in de Le deuxième sexe zo memorabel heeft beschreven, al is het idee veel ouder: de vrouw wier hoogste doel het zijn is, terwijl de man er op uit is iets te doen. Nin heeft haar hele leven gesloofd, gedraafd en geploeterd, niet om mooie boeken te schrijven, maar om erkend te worden als de bijzonderste vrouw van de wereld.

Voorzover Anaïs Nin omhoog is gestuwd op het schuim van de naoorlogse feministische golven, was dat objectief gezien misplaatst. In haar ogen was de rol van de vrouw altijd een afgeleide: helpster, verleidster, muze, almoeder. Zij verbeeldde zich dat zij die rol zelf op meesterlijke wijze speelde. Op een vraag uit het gehoor aan een van de colleges waar zij zo graag voorlas, verklaarde zij dat ze 'de wereld één volmaakt leven wilde schenken.' Door 'de droom te leven', zo legde zij uit, en de 'realiteit te vervolmaken' wilde zij een voorbeeld zijn voor toekomstige generaties.

Het idee van Anaïs Nin als voorbeeld is een aanfluiting. En toch hebben velen iets van bevrijding aan haar ontleend. Immers, zij werd een idool in de jaren waarin vrouwen hun haar rood verfden, hun beha's verbrandden en hun clitoris ontdekten. Vanwege de egocentrische grondtoon was dat misschien een onvruchtbaar, zelfs een onsympathiek soort bevrijding, maar dat er veel vrouwenlevens door zijn beroerd valt niet te ontkennen. Voor de lezer van deze biografie is een van de wonderlijkste paradoxen dat iemand die zo onwaarachtig leefde als Nin, juist als dagboekenschrijfster zo'n sterke invloed op haar lezers heeft gehad.