De scherpe geur van mislukking; Betrokken roman van Jean-Paul Franssens

Jean-Paul Franssens: Broederweelde. Uitg. De Harmonie, 142 blz. Prijs: ƒ 29,90.

In Broederweelde, het derde deel van Jean-Paul Franssens' reeks autobiografische romans, neemt iemand het woord die in de twee vorige delen een bijrol vervulde: Jos, het jongste broertje van verteller Paul. In zowel Een gouden kind als Een goede vader is deze 'Josje' in een aantal bijzinnen vooral hinderlijk aanwezig. Blèrend, schurftig, 'groene snottebel' aan zijn neus - Josje is een zwak nakomelingetje dat door iedereen, behalve door de moeder, als een storend element wordt beschouwd.

Josje is vier jaar jonger dan Paul. Dat is een kloof, merkt Paul ergens in Broederweelde op, die niet meer overbrugd wordt. “Je bemoeide je weinig met elkaar. Toen we volwassen waren bleef dat zo.” In Broederweelde wordt het contact tussen de broers hersteld en keren we voor de derde keer terug naar het Groningen van net na de oorlog, het decor van Franssens' kleurrijke, vaak burleske herinneringen. Alleen is 'het broertje van vroeger' nu de gids en niet Paul.

Op een avond, als Paul staat te koken, komt Josje zijn huis binnenwankelen. Op een moment dat niet ongelukkiger had kunnen zijn: als Paul zich aangenaam wentelt in nostalgische geuren - sudderlapjes, bereid op een petroleumstel. Josje zelf verspreidt een lucht die, zo weten we uit Franssens' geurrijke vorige romans, eveneens met Pauls verleden is verbonden. Maar het is een geur die allesbehalve aangename herinneringen oproept: die van het ziekbed. Josje blijkt keelkanker te hebben en met zijn levensverhaal wendt hij zich tot zijn oudere broer.

Uit dat levensverhaal bestaat Broederweelde, en het is een ellendig verhaal, of het nu Josjes jeugd in Groningen betreft, of zijn bestaan als volwassene. Naarmate de roman vordert krijgt de geur van het ziekbed gezelschap van de even penetrante lucht van mislukking. “Hulpeloos kijk ik naar mijn verdoemde broer. Een glansje moeder over zijn gezicht. Dezelfde hulpeloosheid. Wie deelt die steeds terugkerende ellende uit?”

Jos, een inmiddels werkloze barman, blijkt zich ontwikkeld te hebben tot een in-treurige homoseksueel - een oude man die zijn haar speciaal voor zijn vriend blondeert; een kapper die hem desondanks in elkaar slaat. De moeder had gelijk: Josje is iemand waar een oudere broer op dient te passen. Dat Paul dat niet gedaan heeft, speelt in zijn reactie op het verhaal van zijn broertje een belangrijke rol.

Hij weet zich nauwelijks raad met dit onwelriekende stuk verleden en schiet Jos met tegenzin te hulp. Schaamte, irritatie en schuldgevoel wisselen elkaar in hoog tempo af. Tot aan de slotregel worstelt Paul met zijn gevoelens en geweten. Meestal onder een doorzichtig laagje hardheid: “Dat hij in mijn armen is doodgegaan kan op toeval berusten, omdat het mijn beurt was bij hem te waken.”

Broederweelde bestaat voor het grootste deel uit monologen van Josje. Dat is kenmerkend voor de verhouding van de broers en illustratief voor de strekking van de roman: het contact tussen de broers mag dan hersteld zijn, van een dialoog is geen sprake. Paul maakt er, in korte intermezzo's, zelfs nauwelijks een geheim van, dat Josje in zijn herinneringen een ondergeschikte rol zou zijn blijven spelen, als het nu 47-jarige broertje zich niet aan hem had opgedrongen met zijn verhaal. Met andere woorden: de kloof tussen Jos en Paul is intact gebleven.

Ook in een ander opzicht is die monoloog-vorm veelzeggend. Broederweelde laat zich lezen als een mooi en ook wel ontroerend gebaar van de oudere broer: mogelijk uit schuldgevoel geeft hij de kleine broer, naar wie tijdens zijn leven duidelijk te weinig geluisterd is, alsnog een stem. Toch is er op Broederweelde, als roman, veel aan te merken. Het vertoont de zwakke plekken van een - autobiografisch - boek dat geschreven is door een auteur met net te weinig afstand tot 'de materie'.

Voor wie de roman leest in samenhang met de twee vorige delen van de reeks is Broederweelde bijvoorbeeld een tamelijk teleurstellende ervaring. Veel van de gebeurtenissen aan de Noorderkerkstraat die uit de mond van Josje worden opgetekend, zijn uit de vorige delen al bekend. Hetzelfde geldt voor de personages.

Josjes perspectief is weliswaar anders - beduidend machtelozer - dan dat van Paul. Maar dat levert, afgezien van een wat harder beeld van de onbehouwen NSB-vader, weinig nieuwe inzichten op. Te weinig om een heel derde deel te rechtvaardigen. En ook de monoloog-vorm breekt de roman uiteindelijk op: bij de veelstemmigheid van Een gouden kind en Een goede vader steekt de monotonie van Broederweelde bleekjes af.