De nieuwe dronkemansbouwkunst; Het milde deconstructivisme van de Nederlandse architectuur

Jaarboek Architectuur in Nederland 1994-1995. Uitg. NAi-uitgevers, 184 blz. Prijs ƒ 82,50 Het modernisme in de architectuur lijkt voorbij. Nieuwe gebouwen zijn geen strakke dozen meer, maar bouwwerken met veel schuine lijnen, losse schermen, pleisterwerk, opvallende steensoorten en ongebruikelijke houtsoorten. Waar komt die nieuwe esthetiek vandaan?

Er is iets veranderd in de Nederlandse architectuur. Nergens anders is dit beter te zien dan in Almelo. Hier staan vlak bij elkaar twee gebouwen die meer zijn dan bouwkunst. Het zijn ware tekenen van de tijd. Het ene is het stadhuis, een postuum werk van J.J.P. Oud uit 1973 waarmee een van Nederlands beroemdste architecten van deze eeuw teruggreep op zijn eigen vroege, modernistische werk. Een simpel gebouw, dat eigenlijk uit niet meer bestaat dan een smalle hoge doos en een lage doos. Het andere is de bibliotheek die vorig jaar werd geopend en door het architectenbureau Mecanoo is ontworpen. Een complex gebouw, een collage van vormen en materialen: de boeken zijn opgeslagen in een waaiervorm van beton en glas, de kromme gevel is van koper en het geknikte dak van zink.

Niemand zal kunnen beweren dat de nieuwe bibliotheek verwant is met het stadhuis. En dat is opmerkelijk, want Mecanoo gold lange tijd als het architectenbureau bij uitstek dat voortbouwde in de modernistische traditie waarvan Oud een van de pioniers was. Mecanoo was de exponent van de 'modernisten zonder dogma', zoals de generatie van jonge architecten die in de jaren tachtig begonnen te bouwen wel is genoemd. Net als leeftijdgenoten als Benthem en Crouwel, Dobbelaar De Kovel De Vroom (DKV), Wim van den Bergh en Wiel Arets putte Mecanoo onbekommerd uit het vormenarsenaal van modernisten als Aalto, Lubetkin, Le Corbusier en Oud.

In 1990 was dit modernisme zonder dogma voor Rem Koolhaas aanleiding om bij zijn afscheidscollege als hoogleraar aan de Technische Universiteit Delft de vraag te stellen hoe modern de Nederlandse architectuur was. Koolhaas constateerde dat in Nederland de architectuur helemaal niet zo modern in de zin van eigentijds was. Meer dan waar ook was in Nederland het 'heroïsche modernisme', zoals het Nieuwe Bouwen uit de jaren twintig en dertig wordt genoemd, nog steeds dé inspiratiebron voor jonge architecten. “Hoe kan het in godsnaam dat uitgerekend in deze eeuw die volledig bepaald wordt door instabiliteit en verandering (-) gebouwen over de periode van nu bijna een eeuw op elkaar lijken?” riep hij bijna wanhopig uit. Nu, vijf jaar later, is het alsof de architecten zich Koolhaas' verwijt hebben aangetrokken: hun werk kan niet meer worden gekarakteriseerd met omschrijvingen als 'modernisme zonder dogma' en 'neo-modernisme'.

Pleisterwerk

Ook de criticus Hans van Dijk komt in het nieuwe jaarboek van de Nederlandse architectuur tot de conclusie dat zelfs in Nederland het modernisme eindelijk is uitgeregeerd. De verwijzingen naar het werk van de 'moderne beweging' uit de jaren twintig zijn steeds verder uit zicht geraakt, stelt hij vast. Er heeft zich een nieuwe stijl ontwikkeld waarop de term 'modernisme' niet meer van toepassing is. In zijn lange artikel in het jaarboek geeft hij een opsomming van de kenmerken van de nieuwe stijl: (1). Veel pleisterwerk, minder vaak in wit en vaker in pasteltinten; (2) meer aandacht voor de steensoort en de textuur bij metselwerk; (3) het gebruik van staal bij balustrades en balkons; (4) het gebruik van niet traditionele gevelmaterialen, zoals zink en golfplaat; (5) de toepassing van niet-gebruikelijke houtsoorten; (6) de introductie van schuine lijnen; (7) een extreem horizontalistische pui-indeling bij glazen entrees; (8) het beklemtonen van de eenheid van de gebouwde compositie door het accentueren van de omtrekken; (9) de toepassing van losse schermen in de gevels; (10) het bewerken, vervormen en perforeren van de losse schermen; (11) het aanbrengen van vides en interne zichtlijnen die de gehele maat van het gebouw zichtbaar maken; (12) het gebruik van doorschijnende materialen in de gevels.

Van Dijk heeft ook al een omschrijving verzonnen voor de nieuwe stijl: de 'esthetisering van de pragmatiek'. “We zijn bouwers”, laat hij de architecten zeggen. “We hebben het programma van eisen nuchter geaccepteerd. (-) Maar we willen wel dat het er zo goed mogelijk uitziet.” Anders dan vele van de vooroorlogse modernisten zijn de architecten van nu geen wereldverbeteraars, maar nuchtere ontwerpers die met steeds verfijndere en complexere ontwerpen komen.

'Esthetisering van de pragmatiek' - zo zou de houding van de huidige architecten inderdaad kunnen worden gekenschetst. Het enige bezwaar tegen deze omschrijving van de nieuwe stijl is dat het tien jaar geleden, toen het neo-modernisme nog overheersend was, niet anders was. Ook toen waren de architecten wars van intellectuele hoogdraverij en wilden zij een opdracht zo goed mogelijk uitvoeren. En ook toen vonden zij dat hun gebouw 'er zo goed mogelijk moest uitzien'. Het enige verschil is dat de opvattingen over 'er goed uitzien', over de esthetiek dus, zijn veranderd. Tien jaar geleden ging de voorkeur van de architecten uit naar wit gepleisterde modernistische dozen met strookramen en platte daken, nu naar combinaties van ongebruikelijke bouwmaterialen en complexe vormen.

Maar, zo luidt de vraag dan, als de houding van de architecten niet is veranderd, waar komt die nieuwe esthetiek dan vandaan? De bron van de nieuwe schoonheid moet waarschijnlijk worden gezocht in het deconstructivisme, de dronkemansbouwkunst die wordt beheerst door botsingen van materialen en vormen. De huidige wereld is een chaos, ons wereldbeeld ligt in splinters, en dat moet worden weerspiegeld in een fragmentarische bouwkunst, zo luidt, simpel gezegd, de redenering van de deconstructivisten.

Werkelijk gebouwde deconstructivistische gebouwen zijn nog schaars op deze wereld, maar in de architectuurtijdschriften krijgen de ontwerpen van Frank Gehry, Bernard Tschumi, Peter Eisenman en Eric Owen Moss veel aandacht. Over Los Angeles als hoofdstad van de botsingsbouwkunst zijn de laatste tijd al diverse boeken verschenen en Nederlandse architecten worden door de staat gesubsidieerd om met eigen ogen te zien hoe Gehry en Moss in de Californische metropool schots en scheve gebouwen in elkaar zetten van golfplaat, roestig metaal en luxe houtsoorten. En niet zonder gevolgen, getuige de gebouwen uit de laatste jaren van Mecanoo, Rudy Uytenhaak, Meyer en Van Schooten, Karelse van der Meer en al die anderen. Overigens heeft ook Rem Koolhaas, een van de eerste klagers over de Nederlandse architectuur, zelf het goede voorbeeld gegeven met zijn Rotterdamse Kunsthal van golfplaat, metaal, travertijn, glas en beton.

Met het deconstructivisme gaat het zoals met alle avant-gardes: het wordt in een wat verwaterde vorm algemeen cultuurgoed. Afgezien van de mode van vooroverhangende façades komen in Nederland dan ook nauwelijks schots en scheve gebouwen voor. De dronkemansbouwkunst blijft beperkt tot collages van materialen en vormen: de Nederlandse architect is nooit laveloos, maar hoogstens prettig aangeschoten. En citaten van Franse denkers als Jacques Derrida en Gilles Deleuze, waarmee de deconstructivistische oervaders als Peter Eisenman hun werk rechtvaardigen, hoort men zelden of nooit uit de mond van Nederlanders. Een mild deconstructivisme zonder dogma - zo zou de Nederlandse architectuur misschien kunnen worden gekarakteriseerd.

    • Bernard Hulsman