De macrokosmos in een mossel; Rudolf Steiner en de schilders van het onzichtbare

De tentoonstelling Okkultismus und Avantgarde in Frankfurt is een mer à boire van esoterisch geïnspireerde kunst. Niet alleen pioniers van de abstracte kunst als Malevitsj, Kandinsky, Mondriaan en Kupka, maar ook honderden andere kunstenaars uit het begin van de eeuw lieten zich inspireren door de antroposofie en theosofie van Rudolf Steiner en Helena Blavatsky. “Het gefilosofeer over hogere werelden die de mens op het punt stond te ontdekken, sprak natuurlijk mateloos tot de verbeelding.”

Okkultismus und Avantgarde. Von Munch bis Mondrian 1900-1915. Schirn Kunsthalle, Frankfurt. Tot 20 augustus. Di t/m zo 10-19 u. De catalogus van 815 pagina's kost 75 DM.

Duchamp zou het wel best hebben gevonden. Als apotheose van de tentoonstelling Okkultismus und Avantgarde, von Munch bis Mondrian 1900-1915 staat zijn fietswiel opgesteld in een huizenhoge tempel van wit gaas. Na het zien van 700 werken van kunstenaars die zich aan het begin van de eeuw door spiritisme, theosofie en andere occulte leren lieten inspireren, is de inlijving van Duchamp bij het esoterisme wel het laatste wat de bezoeker verwacht.

Schilders als Kandinsky, Malevitsj, Kupka, Larionov, Javlensky, Marc en Boccioni, ze waren allemaal lid van de club, maar voor Duchamp gold dat niet. Zoals veel van zijn tijdgenoten heeft hij zich verdiept in occulte literatuur, maar hij stond toch te sceptisch tegenover het bovenaardse om zich hierdoor in zijn werk de weg te laten wijzen. Kosmische stralingen, astraallichamen, karma, aura's, telepathie, gedachtentrillingen en andere bovenzinnelijke zaken waarover theosofen en antroposofen hun brein braken, al dat hogere en diepere, het is moeilijk te rijmen met de ironie van Duchamp. Het zal niet de bedoeling zijn geweest, maar zijn fietswiel op het krukje in die ridicule gazen tempel lijkt in één klap de bittere ernst van het occultisme te relativeren.

Zowel de geschriften van Rudolf Steiner als van Helena Petrovna Blavatsky gaan gebukt onder een zwaarwichtige plechtstatigheid, maar dat nam niet weg dat veel beeldende kunstenaars er omstreeks de eeuwwisseling hevig door gefascineerd raakten.

Blavatsky, die in 1875 in New York de Theosofische Vereniging had opgericht, schreef naast haar beroemde De Geheime Leer (1888) verschillende verhandelingen over de 'eeuwige waarheden' die het universum bestieren. Rudolf Steiner, van 1902 tot 1912 secretaris van de Theosofische Vereniging in Duitsland, ontwikkelde een eigen, afwijkende leer, de antroposofie, die minder georiënteerd was op Oosterse religies en meer aansloot bij de Europese christelijke traditie.

Zowel Blavatsky als Steiner probeerden krampachtig aan te tonen dat ze geen nieuw geloof verkondigden, maar wetenschap beoefenden: 'geesteswetenschap', of, zoals Steiner het definieerde, de 'wetenschap van het bovenzinnelijke'. Steiner stelt het denken ook duidelijk boven het gevoel: 'Geen enkel gevoel kan worden vergeleken met de ervaringen van warmte, schoonheid en verhevenheid die worden opgeroepen door de zuivere, kristalheldere gedachten over hogere werelden.' In Blavatsky's beschouwingen struikelt men over de term 'bewijzen' ('zo is bewezen dat...', 'hiermee hebben we bewezen...') en menigmaal houdt ze de lezer voor dat de ware occultist niet gelooft in het bovennatuurlijke, maar daarover 'nauwkeurige kennis' heeft verworven door het beoefenen van wetenschappelijke theosofie.

Voor hun theorieën over het bestaan van hogere werelden die de mens met zijn 'gewone' zintuigen niet kan waarnemen, vonden Steiner en Blavatsky steun bij recente wetenschappelijke ontdekkingen, waarnaar ze maar al te graag verwezen. Het elektrisch licht, de draadloze telegrafie, telefoon en grammofoon, röntgenstralen en radio-activiteit, alles leek te bevestigen dat de ether vol geheime, want onzichtbare, -hoorbare, en -tastbare trillingen, stralingen en golven zat. Ook de discussie over de vierde dimensie, die nieuwe betekenis kreeg door de ontwikkeling van de niet-euclydische meetkunde, gaf aan dat er veel méér gaande was tussen hemel en aarde dan de mens in zijn kortzichtigheid geneigd was te denken.

Nooit eerder deed de wetenschap de fantasie zo op hol slaan als honderd jaar geleden. Na de ontdekking van de röntgenstralen in 1895 verscheen er een stroom van publikaties over helderziendheid en de tekortkomingen van het menselijk oog. In radio-actieve straling zag men een aanwijzing dat dwars door alle materie en ruimte heen geesten werkzaam waren die met hun trillingen de stof in beweging konden brengen en de draadloze telegrafie werd in verband gebracht met telepathie, met het transporteren van gedachten en gevoelens van de ene naar de andere mens.

De verstandhouding tussen wetenschappers en occultisten was in die tijd curieus: de theosofen juichten elke nieuwe uitvinding en ontdekking toe als nog meer bewijsmateriaal voor hun eigen 'hogere wetenschap'. Omgekeerd stonden veel wetenschappers niet geheel afwijzend tegenover de theosofie. Thomas Alva Edison was lid van de Theosofical Society en het verhaal wil dat hij eens op een band de stem heeft opgenomen van de geest waarmee Helena Blavatsky zich in verbinding had gesteld. Die band is helaas nooit gevonden.

Albert Einstein was op z'n minst geamuseerd door de theosofie. Hij had een tijdlang De Geheime Leer op zijn bureau liggen en aan een bevriende natuurkundige ried hij aan Blavatsky te lezen wanneer hij ergens niet uitkwam: 'Het zit vol plechtige geheimenissen, het is als een doos vol snoepgoed.'

Licht en Waarheid

Dat de belangstelling voor het occultisme in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog wijd verbreid was, blijkt uit de talloze Licht en Waarheid-achtige blaadjes die toen verschenen. Het gefilosofeer over hogere werelden die de mens op het punt stond te ontdekken, sprak natuurlijk mateloos tot de verbeelding. Voor kunstenaars was vooral de vraag van belang hoe die bovenzinnelijke werelden waren ingericht, hoe ze zich die visueel moesten voorstellen; wat voorstelbaar is, laat zich immers ook uitbeelden. Als ze die onzichtbare regionen van het universum slechts met hun 'geestesoog' konden ontwaren - zoals de theosofen beweerden - hoe moesten ze dat oog dan activeren?

Rudolf Steiner probeerde in zijn boek Theosofie (1904) over deze vragen opheldering te verschaffen. Maar net als Blavatsky spreekt Steiner in zijn beschrijving van het bovenzinnelijke bijna altijd in gelijkenissen. Blavatsky geeft daar een praktische reden voor aan: 'De feiten van de occulte wetenschappen zijn zo diepzinnig van aard dat er in de Europese talen geen woorden bestaan om ze uit te drukken.' Ook Steiner klaagt dat deze talen arm zijn aan 'uitdrukkingen die direct op het geestenrijk kunnen worden toegepast.'

Maar er waren ook principiële redenen om de kennis van de verborgen werelden niet zomaar aan de grote klok te hangen. 'Een ons goud is meer dan een ton stof', schrijft Blavatsky in De sleutel tot de Theosofie (1889). Ze wilde daarmee zeggen dat het op de lange termijn beter is om de 'hogere leringen' alleen te onthullen aan een kleine kring van serieuze waarheidszoekers, de 'ingewijden', dan dat de onwetende massa ermee aan de haal gaat. Ze beroept zich hierbij op de Bijbel, waarin Jezus tegen zijn discipelen zegt: 'U is gegeven het geheimenis van het Koninkrijk Gods, maar tot hen die buiten staan, komt alles in gelijkenissen.'

Steiner doet wel uitvoerig uit de doeken hoe de hogere werelden - de zielewereld en het rijk der geesten - zijn ingedeeld, hoe de hiërarchische structuur van lage en hogere niveaus precies in mekaar zit. Al die niveaus worden door hem benoemd, van het laagste (het gebied van de begeertegloed) tot het hoogste (de meest ijle delen van het geestenrijk, waar de muziek der sferen klinkt en de 'oerbeelden' van alle menselijke gedachtes sluimeren). Maar als het erom gaat een indruk te geven hoe het er in al die gebieden uitziet, zodat we ze ons een beetje kunnen voorstellen, dan stuurt hij de lezer met een kluitje in het riet. Dan komt hij steeds weer met dezelfde vergelijking van de blindgeborene: 'Want ongeveer als een blindgeborene die geopereerd is, vergaat het iemand die in zichzelf zijn hogere zintuigen wekt.' 'Want ook al kan niet iedereen die fysiek blindgeboren is geopereerd worden, elk geestesoog kan worden geopend.' 'Zoals de blindgeborene zijn omgeving na de operatie plotseling verrijkt ziet met nieuwe kleur- en lichteigenschappen, zo ziet iemand die zijn geestesoog leert gebruiken zijn omgeving vervuld van een nieuwe wereld, de wereld van levende gedachten of geestelijke wezens.'

Elke keer als de lezer denkt: nu kom ik meer te weten, boort Steiner zijn verwachtingen de grond in: om dit of dat te zien, 'heb je het geopende geestesoog nodig.' Hoe men dat oog open krijgt, zegt hij niet. Hij wijst slechts naar de 'weg van het inzicht' die men moet bewandelen en naar de intuïtie, die ook van dienst zou kunnen zijn.

Steiner geeft niet, als een bonafide mysticus, uiting aan zijn eigen ervaringen, hij blijft maar roepen dat hijzelf ziende is en de lezer, helaas, stekeblind. Blindgeboren en nog niet geopereerd. Alleen over de aura, die 'de mens als een wolk in ei-vorm omhult', is hij bereid iets meer te vertellen: hij legt uit hoe de kleurstromen die door de aura drijven samenhangen met de zielsgesteldheid van de persoon in kwestie en hij licht de betekenis van de diverse aura-kleuren toe. Over de geesteswereld laat hij los dat alles er in beweging is, het is er een voortdurend stralen, stromen en in elkaar overvloeien en elke kleur heeft er zijn eigen klank (alleen te horen met het 'geestesoor'). Ook vernemen we nog dat de op aarde gevoerde oorlogen daarboven tot uitdrukking komen in 'geestelijke onweersbuien'.

Hoewel Steiner en Blavatsky dus niet bereid waren al te veel te onthullen, was hun leer voor beeldende kunstenaars toch inspirerend genoeg: er was een onzichtbare wereld en men hoefde zich daar slechts voor open te stellen om die te kunnen schilderen. Bovendien was er volgens de theosofie voor de kunstenaar een lichtende taak weggelegd als wegbereider naar een nieuwe, vergeestelijkte wereld. Alleen al in Nederland waren, in 1913, 300 kunstenaars lid van de Theosofische Vereniging. De theosofische leerstellingen klinken na in talloze manifesten van beeldende kunstenaars uit die tijd, van Kandinsky's Über das Geistige in der Kunst (1912), tot Mondriaans Nieuwe Beelding (1917), Larionovs Rayonistische Manifest (1911), Umberto Boccioni's futuristische manifesten en de opstellen van Franz Marc (1914). In deze geschriften worden - net als in de theosofie - wetenschappelijke ontdekkingen gekoppeld aan allerhande occulte ideeën. Zo klutsten de futuristen - die toch serieus geïnteresseerd waren in de toenmalige technologische ontwikkelingen - techniek, helderziendheid en telepathie onbekommerd door mekaar.

Rudolf Steiner en Helena Blavatsky zijn duidelijk de grondleggers van de quasi-wetenschappelijke en quasi-diepzinnige traditie die verbonden is met de abstracte beeldende kunst van deze eeuw.

Pioniers

De tentoonstelling The Spiritual in Art. Het mysterie van de abstracten, 1890-1985, die in 1987 te zien was in het Haags Gemeentemuseum, wilde ook al aantonen dat de occulte leren die een eeuw geleden opgang maakten, een belangrijke bron waren van de abstracte kunst. Bij die tentoonstelling lag het accent op de 'vijf pioniers van de abstractie': Mondriaan, Kupka, Kandinsky, Malevitsj en de toen, in 1987, net ontdekte Zweedse schilderes Helma Af Klint die haar tekeningen tijdens séances door geesten liet dicteren. Bij de mega-show in Frankfurt ontbreken deze vijf kunstenaars niet, maar ze spelen hier geen hoofdrol: hun werk hangt temidden van dat van honderden bekende en onbekende tijdgenoten.

The Spiritual in Art was ingedeeld naar thema's als kosmos, vibratie en synesthesie, in Frankfurt is gekozen voor een indeling naar landen en kunststromingen, waarbij geen -isme ontbreekt. Het grote verschil tussen beide exposities ligt in het tijdvlak dat ze beslaan: The Spiritual in Art omvatte bijna honderd jaar, Okkultismus und Avantgarde laat zien wat er broeide in een tijdspanne van slechts vijftien à twintig jaar, niet alleen in de beeldende kunst, maar ook in de dans en de architectuur.

Bij de opening van Okkultismus und Avantgarde hield de kunsthistoricus Veit Loers, onder wiens leiding de expositie tot stand kwam, de bezoekers voor om toch vooral niet in elk schilderij naar 'het occulte' te zoeken. In veel gevallen bleek dat ook nergens voor nodig, omdat het er duimendik bovenop ligt.

De schilders die het 'onzichtbare' zochten uit te beelden, konden met de vage beschrijvingen van Steiner en Blavatsky weliswaar alle kanten op, toch is er aan het begin van de eeuw een hele vracht werk gemaakt dat verraderlijk dicht in de buurt komt van zoiets als het 'standaard-theosofische-schilderij'. Op dit imaginaire schilderij zien we organische, in elkaar overgaande vormen, mistige slierten of heldere kleurstromen, nevelsluiers, stralen, bollen en spiralen, vonken, vlammen en wolken, alles vloeiend en in beweging. Van deze golvende softigheid, dit 'etherisch realisme' - om er maar een naam aan te geven - zijn in Frankfurt tientallen voorbeelden te zien en het is bijna niet te geloven hoeveel schilders zich hiermee hebben beziggehouden. In de Nederlandse afdeling zijn onder anderen Bernard Toon Gits met zijn Visionair schilderij (1916), Bernard Canter, Johannes Tielens en Elizabeth Stoffers exponenten van deze richting.

Het occultisme inspireerde ook verschillende kunstenaars tot variaties op het thema 'het grote in het kleine'. Daartoe behoort onder meer de serie tekeningen van de macrokosmos in een mossel (Studies van een mossel) die de Russische schilder Michaël Vroebel omstreeks 1900 maakte.

Lang niet alle 700 werken zijn zo makkelijk tot de leer te herleiden. Wat bijvoorbeeld de futurist Enrico Prampolini voorhad met zijn assemblage van een veertje, een vleugje kant, stukjes riet en tule in een houten doos (Vrijage, 1914), weet ik niet, maar het is een beeldschoon en ontroerend werk.

Een schilder als Michaël Larionov mag na de ontdekking van het radium en de radio-actieve straling een idiote theorie hebben ontwikkeld over stralingen, de vierde dimensie, kosmische eenheid en wat niet al, wie kijkt naar zijn Rayonistische composities, waar de lichtstralen vanaf knetteren, wil hem dat graag vergeven. Bij een kunstenaar die het onzichtbare zo aanschouwelijk maakt, zijn de woorden niet meer zo belangrijk.

Okkultismus und Avantgarde is een mer à boire, de expositie bevat een overstelpende hoeveelheid esoterisch geïnspireerde kunst. Er is veel moois te zien, onder meer van Munch, Franz Marc, Kupka, Picabia - die hier net als Duchamp een beetje verdwaald lijkt - en de Amerikaanse schilder Joseph Stella, maar er zijn ook erg veel ronddraaiende cirkels en ellipsen, veel kristalstructuren, veel astrale composities.

Behalve Duchamps fietswiel is er nog één mogelijkheid om aan de ernst van de zaak te ontsnappen: de afdeling Fotografie. Daar heerst de ware klopgeestensfeer van trucages en belazerij, van ingemonteerde spoken, aura's en geestverschijningen. Daar schuimen uit de monden van mediums-in-trance witte energieslierten, teleplasma, waarvan de foto's niet kunnen verhullen dat het in werkelijkheid flarden vitrages waren. Daar suggereren wazigheid en misdrukken fantomen, droomgestalten en zelfs uit de lucht vallende paardepoten. Daar is de bezoeker ineens op de kermis.

Er is maar één weg om die weer te verlaten. Het moet wel de weg van het inzicht zijn, want hij leidt regelrecht naar de oervader van deze tentoonstelling: Rudolf Steiner. In een Goetheanum-achtige ruimte vullen zijn zouteloze tekeningen lange, gebogen wanden. Hij mocht de kosmos en de bovenzinnelijke werelden van haver tot gort kennen, tekenen - daarin was Steiner geen meester.