Dansen tussen gele diagonalen; Theo van Doesburg verwezenlijkte zijn idealen met een ciné-dancing in Straatsburg

De kunstenaars Sophie Taeuber, Jean Arp en Theo van Doesburg veranderden in 1928 een deel van een achttiende-eeuws garnizoensgebouw in Straatsburg in een amusementspaleis. Van Doesburg richtte de ciné-dancing in, die de beweeglijkheid van de grote stad moest weerspiegelen. 'Hij kreeg de zaal cadeau, kon die niet zelf ontwerpen, het is of hij met kleuren en lijnen de muren wil ontzetten.'

Literatuur: Sophie Taeuber, catalogus tentoonstelling Musée d'Art Moderne de la ville de Paris, 1989; Evert van Straaten: Theo van Doesburg 1883-1931, Staatsuitgeverij, 1983; Evert van Straaten: Theo van Doesburg, Schilder en architect, SDU, 1988.

Op een langwerpige sokkel in het Centre Pompidou staat een houten kop. Hij heeft wel iets van een maasbal die vroeger in een kous werd gedaan om een gat beter te kunnen stoppen. Vrolijke kleuren zijn erop geschilderd, blauw, zachtrose, rood en zelfs het zwart ziet er niet droevig uit, het buitelt langs de gebogen lijnen van een streng kijkend gezicht.

Het beeld moet de in Straatsburg geboren dichter-schilder Jean Arp voorstellen. Sinds de Eerste Wereldoorlog had hij zijn te Duits klinkende voornaam Hans afgezworen. Wat een grappige kop, je kunt hem ook als hoedenstandaard gebruiken. Het ding is in 1919 gemaakt door Sophie Taeuber, Arps grote liefde. Ze stierf op een nacht in Zürich aan koolmonoxydevergiftiging, begin '43, voor het slapen gaan was ze vergeten het klepje voor de luchtverversing van een brandende kachel open te doen.

Ik wil al doorlopen als ik zie dat op de grond, tegen de sokkel, wel twintig vuurrode rozen liggen. Achtergelaten door een bezoeker als eerbetoon aan Sophie Taeuber en Jean Arp? Op een kaartje staat dat de bloemen voor Marguerite Hagenbach zijn. Augustus vorig jaar is ze gestorven, tweeënnegentig jaar oud. Ze was de tweede vrouw van Arp, verzamelde haar hele leven kunst, van Giacometti tot Theo van Doesburg, en ze heeft deze kop, samen met vele andere beelden, al weer jaren geleden aan dit museum geschonken.

Marguerite is de laatste denk ik, de laatste die in het door Sophie Taeuber gebouwde huis in Meudon - Val Fleury, zeven kilometer ten zuidwesten van Parijs, heeft gewoond. Het stamt uit 1929 en het is op de heuvel tegenover het Bois de Clamart niet te missen. Een gevel met bruine stukken natuursteen in zwevende lijnen, alsof de architecte de pittoreske landhuisjes in dit dorp met haar eigen geestige geometrie wilde vermengen. Het huis is nu al lang een museum, altijd als ik ervoor sta glanzen de witte en zwarte beelden van Arp in de tuin me tegemoet.

Wanneer heb ik Marguerite Hagenbach in het voor Sophie en Arp gebouwde huis met twee ateliers gesproken? Met Betty van Garrel en Philip Mechanicus zocht ik haar februari 1977 op in Meudon. Arp was toen al meer dan tien jaar dood. Ze was een openhartige schatbewaarster en zei dat ze hem, net als vroeger Sophie, haar dromen vertelde en die verwerkte hij dan in een gedicht dat zij later weer overtikte, soms wel een keer of tien. Haar door een ander bewerkte droom keerde naar haar hoofd terug.

De beelden en schilderijen van Arp stonden of hingen overal, met titels als Beeld om in het bos te verliezen. Ook aan het stille werk van Sophie Taeuber had ze veel plaats gegeven.

Ze zei dat Arp in zijn poëzie met woorden speelde als een jongleur met ballen. Datzelfde beeld gebruikte de schrijfster Gabriëlle Buffet-Picabia, toen we haar een paar dagen later bezochten, voor het werk van Sophie Taeuber. Het deed haar denken aan een variété-voorstelling die ze eens in New York had gezien. Een jongleur speelde met witte en rode ballen, hij werd begeleid door een jazz-orkestje en wist de lijnen van het rood en wit net zo onverwacht te maken als de van een melodie bevrijde klanken, alsof er voor een kleur geen vaste vorm bestond.

Garnizoensgebouw

Terwijl Marguerite Hagenbach in het huis van Sophie verder praatte - “Weet u dat Arp en Taeuber sinds ze elkaar in 1915 leerden kennen heel veel samenwerkten?” - dacht ik aan een ander huis, iets naar beneden op dezelfde heuvel, dat in 1929 door Theo van Doesburg voor hem en zijn vrouw Nelly werd gebouwd. Het is helemaal wit en als je het van de overkant bekijkt zie je boven elkaar een gele, een blauwe en een rode deur, de primaire kleuren van de Stijl.

De twee huizen verschillen volkomen van elkaar. Ze zijn ontstaan vlak na een zeldzame samenwerking van Sophie Taeuber, Jean Arp en Theo van Doesburg. De rechter vleugel van een achttiende-eeuws garnizoensgebouw werd door hen in een amusementspaleis veranderd. Het ligt aan de place de Kléber in Straatsburg en het heet de Aubette, omdat de soldaten elke dag 'à l' aube', bij de dageraad, moesten aantreden.

Ze deden er ruim een jaar over en de nieuwe Aubette werd op 16 februari 1928 geopend. Hoe groot was de invloed van dit gezamenlijke kunstwerk op de huizen van Taeuber en Van Doesburg geweest? Bij Hagenbach begon ik er niet over, toch vroeg ik me dat al jaren af. De kleurontwerpen van de drie kunstenaars voor de gang, het trappenhuis en de tien zalen van de Aubette zijn bewaard gebleven. Ook enkele foto's uit de jaren 1926-1927, de tijd waarin de interieurs werden ontworpen en uitgevoerd, geven wel een indruk van het geheel maar het belangrijkste ontbreekt: de ruimte zelf.

Ze bestonden allang niet meer, de brede gang, de salon de thé en de bar van Sophie Taeuber, de biljartzaal, de foyer-bar, de American bar en de caveau-dancing van Arp, het trappenhuis van Arp en Van Doesburg, de brasserie, het restaurant, de grote feestzaal en de ciné-dancing van Van Doesburg, alles was weggebroken of overgeschilderd.

De Aubette, het gebouw dat wel de Sixtijnse Kapel van de moderne kunst wordt genoemd, was ten onder gegaan, niet roemloos, de plaatjes kom je in heel veel kunstboeken tegen. Die militaire gevel bestond nog, daar had ik zelf wel eens voor gestaan. Maar binnen was het werk van Taeuber, Arp en Van Doesburg voorgoed verdwenen. Er werd wel gezegd dat de Duitsers deze 'entartete Kunst' hadden laten verwijderen, maar het verval moet al in de jaren dertig zijn begonnen.

Kort nadat ik de rozen voor Arps kop heb zien liggen reis ik naar Straatsburg. Ik weet inmiddels dat daar een wonder is gebeurd. Met dat vaak al te veel belovende woord dien je een beetje op te passen, maar dit keer lijkt het op zijn plaats te zijn. De ciné-dancing zou sinds kort in ere zijn hersteld. Het is de grootste zaal en de belangrijkste bijdrage van Theo van Doesburg aan de Aubette.

Als het waar is - het valt nog steeds moeilijk te geloven - moet die opgeknapte zaal niet worden vergeleken met de restauratie van een verwaarloosd schilderij. Dat wordt meestal niet door mensenhanden beschadigd. De ciné-dancing en de andere zalen zijn op verzoek van de bezoekers van het amusementspaleis steeds verder ontluisterd. Lang voor de oorlog kreeg de directie van de Aubette al klachten over de heldere kleurvlakken 'die zo kil aandeden'. Men verlangde naar de teisterende gezelligheid van de negentiende eeuw en naar het veilig bruin dat door Taeuber, Arp en Van Doesburg was gesloopt. Het personeel kwam met een lampje of een gordijn aan die wensen tegemoet.

De grote klap kreeg de Aubette toen het gebouw nieuwe stijl in 1938 tien jaar bestond. De kleuren waren wat verfletst en men besloot die niet te restaureren maar ze geheel en al weg te werken. Dat werd mij later verteld door Jean-Louis Faure, hoofd-conservator van het Museé des Beaux-Arts in Straatsburg. Samen met onder anderen de Nederlanders Carel Blotkamp, Jean Leering en Evert van Straaten is hij lid van de commissie die de restauratie van de Aubette begeleidt. Volgens Faure zag niemand in die jaren dat het gezamenlijke werk van Taeuber, Arp en Van Doesburg volkomen uniek was.

Hans en Grietje-stijl

In Straatsburg valt het zelfs nu nog moeilijk te begrijpen dat het drietal de opdracht voor de verbouwing van de Aubette aan het eind van de jaren twintig ook werkelijk kreeg. Veel huizen in een geruststellende Hans en Grietje-stijl en altijd ergens op de achtergrond de niet te ontlopen gotische spits van de zo sombere middeleeuwse kathedraal.

Theo van Doesburg zegt in zijn blad De Stijl dat hij door tussenkomst van Arp de opdracht voor de verbouwing van de Aubette kreeg, maar het is wel zeker dat Sophie Taeuber de eerste werk-contacten met de opdrachtgevers heeft gelegd.

Toen Hans Arp in 1886 aan de Alter Fischmarkt 52 (nu de rue du Vieux Marché aux Poissons), vlakbij de kathedraal, werd geboren had hij de Duitse nationaliteit. Na 1918 was de Elzas weer in het bezit van Frankrijk gekomen en kreeg hij de kans Fransman te worden. Arp moest daarvoor eerst weer een paar maanden in Straatsburg verblijven en daarom keerde hij in maart '26 naar zijn geboortestad terug. Hij was er twintig jaar niet geweest.

In die tijd maakte Sophie Taeuber kennis met de gebroeders Paul en André Horn, een architect en een apotheker. Zij hielden wel van de nieuwste kunst en zo kreeg Sophie het verzoek niet alleen het woonhuis van André, maar ook de hal, de bar en de danszaal van het in 1920 door Paul gebouwde Hotel Hannong in te richten.

Het hotel bestaat nog steeds en het wordt nu geleid door Brigitte Horn, een kleindochter van Paul, en haar echtgenoot Georges Anna. Ze zijn trots op de geschiedenis van hun zaak en hebben twee vergaderzalen naar Taeuber en Arp genoemd. Sinds kort hangt op een wand van de eetzaal een langwerpig bord van negen bij vijf meter over het werk van de drie kunstenaars in Straatsburg. Op de reconstructie in kleur van de bar-dancing is de stijl van Sophie Taeuber onmiskenbaar. Het doet denken aan haar eerste abstracte broderieën uit 1915 en ook aan sommige collages uit haar dada-tijd waarin de menselijke figuur en de geometrie baldadig met elkaar in gevecht zijn geraakt.

Van de schilderingen zelf is niets bewaard gebleven. Ook Taeubers werk in het huis van André Horn is verdwenen op enkele glas-in-lood-vensters na. Die zijn nu in het Musée d'Art Moderne van Straatsburg te bezichtigen, samen met de ramen die Van Doesburg later voor het huis maakte. Een derde opdracht voor het huis van de joodse arts Heimendinger werd door hetzelfde lot getroffen. Wie het schitterende evenwicht tussen de trap, de geschilderde rechthoeken op de muur en de half zichtbare deur op een foto bekijkt krijgt de waanzinnige behoefte de oorspronkelijke kleuren te zien. Niet meer mogelijk, in dit huis sloegen de nazi's wel toe. Een majoor van de Luftwaffe ging er wonen en liet Taeubers entartete fantasieën wegpoetsen.

Arp en Van Doesburg kenden elkaar sinds het roemruchte congres van dadaïsten en constructivisten in Weimar, september, 1922. Ze konden meteen goed met elkaar opschieten, al was hun gevoel voor humor tegengesteld. Arp schuchter en licht, Van Doesburg agressief en parodistisch. De Elzasser werd uitgenodigd aan de komende dada-veldtocht in Holland deel te nemen. Dat kwam er niet van, maar toen Theo en Nelly van Doesburg in 1923 in Parijs gingen wonen hoorden de Arps tot hun beste vrienden.

Een paar jaar later, nog voor de Aubette, besloten ze op een heuvel in Meudon een gezamenlijke atelierwoning te bouwen waarvoor Van Doesburg het ontwerp maakte. In 1928 kwam er ruzie over de honoraria voor de Aubette en begon Sophie op het stuk grond haar eigen huis te bouwen.

Vanuit het ontwerpbureau recht tegenover de Aubette schrijft Sophie Taeuber op 10 januari 1927 in een brief aan haar zuster dat het werk gaat beginnen en dat Van Doesburg nog niet uit Parijs is aangekomen. Toch moet hij Paul Horn al in Parijs hebben ontmoet. Georges Anna liet mij een exemplaar zien van Classique-Baroque-Moderne met een opdracht van de schrijver 'A monsieur Horn, architecte, Théo van Doesburg, 1926, Paris'.

Vlugrestaurant

Van het hotel Hannong in de rue du 22-Novembre naar de Aubette aan de place Kléber is het maar een paar minuten lopen. Er heeft wel het een en ander over de heropening van de zaal in de Dernières Nouvelles d'Alsace gestaan, maar geen voorbijganger kan me vertellen hoe ik de Aubette binnen moet komen en van de herstelde ciné-dancing heeft niemand gehoord.

Op de begane grond van het gebouw is nu het vlugrestaurant Flunch gevestigd dat zichzelf aanprijst met 'Vergeet het niet, op de avond van uw verjaardag krijgt u een taart en uw teken van de dierenriem cadeau, ça change la vie!' Ik ga naar binnen. De gang, de salon de thé en de bar van Sophie Taeuber, het restaurant en de brasserie van Theo van Doesburg kunnen hier niet meer worden hersteld omdat de oorspronkelijke verhoudingen van de ruimte zijn weggebroken. Ook de kelder met de dancing en American bar van Arp is verdwenen, Arp, caveau, de gérant haalt z'n schouders op.

Buiten ga ik een poort in het midden van de Aubette onder door en ineens staat het er in de typografie van Van Doesburg: Grande Salle de l'Aubette. Maar er is geen beweging in de deur te krijgen. In de buurt van het gebouw herinneren een paar straatjes aan de Aubette, rue Théodore Van-Doesburg, passage André en Paul Horn en rue Sophie Taeuber-Arp. Jean Arp zal wel ergens anders in de stad met een grotere straat bedacht zijn.

In haar ongepubliceerde herinneringen schrijft Nelly van Doesburg dat Theo zijn geluk niet op kon toen Arp hem voorstelde aan de verbouwing van de Aubette mee te werken: 'Eindelijk kon hij op grote schaal uitvoering geven aan het idee dat hem zo lief was: de kleur in de architectuur'. Hij had de meeste ervaring als architect en kreeg de leiding. Nelly en Theo van Doesburg reisden als gekken op en neer tussen Straatsburg en Parijs, waar ander werk doorging. Ook Arp moest af en toe terug naar de hoofdstad en Sophie had nog een baan als lerares textiel aan de Kunstgewerbeschule in Zürich.

Trappenhuis

Die middag ga ik een deur aan de voorzijde van de Aubette binnen. Iedereen die het gebouw wil bezoeken moet deze simpele weg volgen: ga naar de VVV van de stad en vraag om een gids. Voorlopig is alleen de ciné-dancing hersteld, zegt de gids, maar we kunnen de andere ruimtes natuurlijk ook bekijken. Even later komt Jean-Louis Faure naar de Aubette. Op aanraden van Georges Anna heb ik hem opgebeld.

We lopen in het trappenhuis van Arp en Van Doesburg. De koele schoonheid van de rechte lijnen en de diagonalen kiert door het verval heen. In een muur zit een raamwerk met kleine rechthoekige vensters. In dit ontwerp van Arp zijn enkele raampjes geel, verkeerd, zegt Faure, ze moeten weer blauw-zwart-grijs-beige worden.

Op de trap denk ik aan de door Nelly beschreven ruzies tussen de eigenaar en Van Doesburg. “Ik houd er nu voorgoed mee op,” schreeuwde hij, “ze hebben een gat in het rood geslagen om er een klok in te stoppen . . .”

Anna vertelde me dat zijn een paar jaar geleden gestorven schoonvader Pierre Horn het initiatief voor de terugkeer van de Aubette heeft genomen toen hij een reconstructie van de ciné-dancing in het dagblad Le Figaro zag staan. Dat moet in '68 zijn geweest; in dat jaar liet Jean Leering een deel van de zaal voor een grote Van Doesburg-tentoonstelling in het Van Abbe Museum herbouwen.

Pierre Horn kon de ramp van Flunch niet verhinderen. Faure zegt dat het heel vlug is gegaan. De concessie werd in 1980 door de gemeente gegeven, de stadsarchitect zei er niets van en er was nauwelijks tegen-publiciteit. In een mum van tijd waren de toch al weggewerkte voorstellingen van de drie kunstenaars op de begane grond en in de kelder verdwenen. Ook Faure hoorde het te laat. Hij werkte in die jaren bij het Centre Pompidou in Parijs. Pas na Flunch kon de gemeente Straatsburg ervan worden overtuigd dat in elk geval de bovenverdieping moest worden gered.

We staan in de ciné-dancing. Er maakt zich een ontroering van mij meester die zo heftig is dat zij nauwelijks valt te ontleden. Van deze ruimte kan geen foto een indruk geven. Theo van Doesburg heeft hier, zoals men dat wel van een wielrenner zegt, alles gegeven. Klaterend lachend misschien, ruziënd met alles en iedereen, niet gelovend dat zijn zo lang gekoesterde ideeën eindelijk werkelijkheid zouden worden.

Kleuren wilde hij, aan alle kanten, op de vier muren en op het plafond. Ze grenzen aan snelle diagonalen die elke kleur van haar plaats lijken te zwepen, als op zijn elementaire Contra-composities. Hij kreeg de zaal cadeau, kon die niet zelf ontwerpen, het is of hij met kleuren en lijnen de muren wil ontzetten. De ciné-dancing moest de beweeglijkheid van de grote stad weerspiegelen en in de ruimte zelf diende het publiek op een witte rechthoek filmbeelden te zien of zelf te bewegen op de klanken van een jazz-orkest. Geen wonder dat Karin Post en Els Hoek in september hun gedanste verhaal over leven en werk van Theo van Doesburg, een film in opdracht van de VPRO, in deze door de kunstenaar zelf gemaakte ruimte hopen op te nemen.

Kwikzilverachtig

Geel, rood, blauw, zwart, grijs en zelfs het door Van Doesburg zo lang verfoeide groen, ze zijn niet op de muren geschilderd. De rechthoeken, driehoeken en andere hoekige vormen hebben diepte, staan een paar centimeter van de wand af en zijn door grijze stroken van elkaar gescheiden. Dat geeft aan de kleur iets kwikzilverachtigs, het geel, het grijs, het blauw, ze staan op het punt om van plaats te verwisselen, aan niets zijn ze gebonden. En voor de vloer met boxen voor de tafels en stoelen heeft hij weer wel lange rechthoekige kleurbanen gebruikt, linoleum, parket. De tegenstelling met de schuine vormen op de wand is groot, door een leep gebruik van kleur en lijn wil hij de hele ruimte laten tollen, hunkerend naar beweging van alles wat vast en statisch is. Boven en beneden diende het leven te stromen, dans en film, eten en drinken, praten en flirten, in tien zalen werd de ruimte door kleur versneld.

Voor Theo van Doesburg was het woord abstract taboe. Hij noemde de kleur reëel en later zelfs concreet. Het was een middel dat naar niets anders hoefde te verwijzen om, zoals hier in de Aubette, jubelend in het leven van alle dag te kunnen overgaan. Al die foto's van telescopen, machinale boomzagen, graansilo's, machinekamers en vliegtuigen stonden niet voor niets in De Stijl. Zo werkelijk, zo beeldend moest een kleur ook kunnen zijn.

Faure zegt dat de begeleidingscommissie niet helemaal tevreden is over de resultaten, maar als je de begoocheling van de ciné-dancing ondergaat klinkt zijn kritiek wel erg specialistisch.

De oorspronkelijke kleuren zijn niet gerestaureerd. De muren waren verschillende keren overgeschilderd en zo was de eerste kleur voor herstel zo goed als onbereikbaar. Wel kon een monster van de oerlaag worden genomen en aan de hand van die kleur werd de verf besteld. Die werd op de afgedekte lagen aangebracht. Maar het wit en het grijs zijn een beetje te geel geworden. Daar moet nog iets aan worden gedaan.

We lopen naar de aan de ciné-dancing grenzende nog niet herstelde foyer-bar. Die werd door Sophie Taeuber ontworpen. Hier moet het van de ruzie hebben geknetterd. Van Doesburg had de leiding van het geheel en keurde liefst twee ontwerpen van Sophie af. Arp voltooide deze zaal vol rechthoekige vlakken, op de muren en op het plafond, met als uitgangspunt Sophie's laatste plannen.

Het is schrijnend dat van Sophie Taeubers werk, de aanstichtster van de Aubette, niets is overgebleven. Haar salon de thé op de begane grond moet een van de mooiste zalen zijn geweest.

De reconstructie in Hotel Hannong laat een ruimte zien die kan wedijveren met de ciné-dancing. De menselijke figuren zijn opgebouwd uit blokjes in verschillende kleuren, licht humoristisch, alsof de gestalte niet aan z'n eigen abstractie kan wennen. Voor de nu vernietigde bar en dancing in de kelder gebruikte Arp de golvende lijnen van eerder werk. Ze lopen vooruit op de sensuele beelden die hij in de jaren dertig begon te maken.

De foyer-bar komt uit op la grande salle de fête van Theo van Doesburg. De valse wanden, plafonds en andere overtollige bouwsels zijn weggewerkt, maar hier is nog niets gerestaureerd. Boven je hoofd, opzij, overal kijk je uit op het geraamte van een kunstwerk. Bleke en gebladderde kleuren, gaten in het verpulverde steen, zo armoedig ziet een zaal van Van Doesburg eruit als de ingrepen van z'n tegenstanders zorgvuldig zijn weggewerkt, een wel haast duivels negatief.

Horizontalen en verticalen

'Brusquement dada, brusquement Bonset', mompelt Faure om met de nihilistische kanten van Van Doesburgs dichterspseudoniem in deze zaal de moed er nog een beetje in te houden. Toch ligt het reliëf al bloot en het is goed te zien wat de kunstenaar met de ruimte van plan was. Hier geen driehoeken en diagonale lijnen, maar om de grote tegenstelling met de ciné-dancing juist de klassieke horizontalen en verticalen van de Stijl. De vierkanten en rechthoeken zijn verzonken tussen smalle banden met een reliëf van drie centimeter.

Niet bekend

Er is zelfs een Association Theo van Doesburg die zich ervoor beijvert regelmatig Nederlandse kunst in de Aubette te brengen. Eind mei was er een programma van de dansers Karin Post en Dries van der Post met films van Peter Struycken. Voorzitter van die vereniging is André van Seggelen, hoogleraar Nederlands aan de universiteit van Straatsburg. Net als Pierre Horn heeft hij zich jaren lang voor de Aubette ingezet. Hij vertelde me dat de Nederlandse staat nog nooit een cent aan het herstel heeft bijgedragen. De restauratie heeft intussen ongeveer zes miljoen frank gekost. Als koningin Beatrix in januari 1996 de Raad van Europa in Straatsburg toespreekt zal ze ook wel in de ciné-dancing worden ontvangen. Voor die gelegenheid zou Nederland ten minste iets aan de Aubette moeten bijdragen, al was het maar de in het donker lichtgevende naam in de typografie van Van Doesburg op de gevel, maar waarom eigenlijk niet de halve kosten van zijn tweede zaal? Zo'n royale toezegging zou voor dit Frans-Nederlandse monument vanzelfsprekender zijn.

Ik maak nog een rondgang door Van Doesburg gefnuikte schepping. Zou de wedergeboorte opnieuw weerstanden oproepen? Uitgesloten is dat niet. Hier zal geen pachter ooit nog een café beginnen. De ruimte ligt te veel uit het zicht en reclame à la Flunch is natuurlijk uitgesloten. Er zijn ook plannen om de landen van de Raad van Europa hier bij toerbeurt een indruk van hun kunst te laten geven. Dan dreigt er een pittoreske folklore die Van Doesburg nu juist met alle macht wilde verdrijven.

Misschien heeft hij juist het gebruik van de zalen luchthartig beoordeeld. Zijn heftige ontwerpen dulden niet veel naast zich. De ciné-dancing is geen publieksruimte, maar een onafhankelijk kunstwerk. Net als de Proun-ruimtes van de Rus El Lissitzky, met wie Van Doesburg zich verwant voelde, loopt het vooruit op de sinds de jaren zestig door kunstenaars gebruikte museumzalen, in welke stijl dan ook. De kermis van Dylaby, de achter een oppervlak van glas opflitsende stoelen van Robert Rauschenberg, de niet van echt te onderscheiden voorbijgangers van Gary Hill die achter een doorzichtige wand op ons toelopen om zich weer te verwijderen, dat alles vindt in de Aubette zijn begin.

De concrete kunst van Van Doesburg en de abstracties met dadaïstische trekjes van Sophie Taeuber en Jean Arp hebben de ruimte vrij gemaakt voor ieder werkstuk dat los wil van de muur. Van Doesburg benutte de wanden, de vloeren en het plafond maar hij was uit op de hele ruimte, op de beleving van een evenwichtige verhouding van ongelijke delen, die bij iedere draai van het hoofd steeds opnieuw moest ontstaan.

De ontvangst van de Aubette was voor hem een desillusie. Had hij, betrekkelijk naïef, werkelijk op grote bijval van de bezoekers gerekend? Als het publiek in de jaren dertig ook invloed op een schilderij had gekregen zou elk gekleurd vierkant in een bloemstukje zijn veranderd.

Sophie Taeuber bouwde na de Aubette dat huis op de heuvel in Meudon-Val Fleury. Het werk in Straatsburg had niet veel invloed op haar stijl. Het huis is niet monumentaal, maar net zo terughoudend vrolijk als de schilderijen, stiksels en collages die ze maakte voor ze met haar zalen in de Aubette begon.

In het witte huis van Theo van Doesburg, even verderop, is het kleurgeweld van de Aubette verdwenen. Koos hij na al die teleurstellingen voor de verstilling? Die vraag hoop ik in een volgend stuk niet aan de hand van plaatjes of een vluchtig bezoek te beantwoorden, maar vanuit een voor de beschouwing van architectuur nogal ongewoon perspectief. Ik kreeg de kans een jaar in het huis van Nelly en Theo van Doesburg te wonen en leerde het kennen van seizoen tot seizoen, van dag tot dag, compleet met alle bezoekers, soms in groepen van twintig tot dertig, die het op de meest onverwachte door de schelmse I.K. Bonset geregisseerde ogenblikken wisten te vinden.

Met dank aan Wies voor Moorsel voor de inzage van Nelly van Doesburgs herinneringen.