Bram & Neelie

“Zeg, kom je nog?”.

“Ja, ik kom zo. Ik doe even mijn krulspelden in.”

Burgemeester Bram Peper trok zijn slaapmuts recht. Hij was zichtbaar uit zijn humeur, want voor hem op de lakens lagen de kranten met hun grote koppen. Het duurde even voordat Neelie binnenkwam, het hoofd vol krulspelden. Zij sloeg de lakens open en ging in bed zitten. Rechtop, de armen over elkaar, aan de andere kant. Er werd gezwegen.

“Het is me wat moois”, zei Bram ten slotte.

“Het is me inderdaad wat moois”, zei Neelie.

“Je wordt anders wel bedankt”, zei Bram.

“Hoe bedoel je?” antwoordde Neelie fel.

“Heb je dan niet gelezen wat Ter Kuile over je heeft gezegd? Hier staat het: 'Het was reuze onnozel van mevrouw Kroes om de voorstanders op te roepen niet te stemmen.' Dat zegt die Ter Kuile van de VVD, nota bene je eigen partijgenoot.”

“Maar dat moest toch van jou! Je hebt toch zelf gezegd dat er alleen hoop was, als de opkomstdrempel niet zou worden gehaald. Dat was nog de enige kans dat de plannen voor de stadsprovincie gewoon door konden gaan. Natuurlijk mocht je dat als burgemeester niet in het openbaar zeggen. Dat begrijp ik heel goed, maar daarom heb ik dat voor jou gedaan.”

“Maar Neelie, je moet met dat soort uitspraken ontzettend oppassen. Je bent de vrouw van de burgemeester.”

“De levenspartner van de burgemeester, Bram. Dat is iets heel anders. Dat is iemand met een eigen verantwoordelijkheid. Zo hebben we het met elkaar afgesproken toen wij samen aan deze klus begonnen.”

De burgemeester kreunde. Het kwastje van zijn slaapmuts hing nu voor zijn ogen. “Maar hoe moet het nu verder?” jammerde hij wanhopig. “Het is verschrikkelijk. Het is een catastrofe. Ik zie geen alternatieven. Ik weet het niet meer. Ik weet het echt niet meer.” De burgemeester viel achterover en zakte weg in de kussens.

“Bram, gedraag je! Ga rechtop zitten! Ben jij nou de burgemeester van de grootste havenstad ter wereld? Wat moeten je collega's van Antwerpen, Hamburg en New York niet van je denken, als zij jou zo zouden zien liggen. Bram, luister. Om te beginnen moet je dat stomme referendum afschaffen.”

“Afschaffen? Maar we hebben het net ingesteld. Dat kunnen wij niet maken. Nee, wat wij moeten doen, is alles nog eens goed uitleggen en dan een nieuw referendum houden.”

“Ach, kom nou, Bram. Dan heb je alles nog eens goed uitgelegd, je hebt Toon Hermans, Paul de Leeuw en Vanessa ingehuurd, en dan stemmen die mensen toch gewoon weer tegen. Dat geef ik je op een briefje. Die mensen willen die stadsprovincies helemaal niet.”

“Ja, maar ze moeten er wel komen.”

“Precies. En daarom zeg ik je: schaf die referenda af.”

“Maar dat kan niet meer, Neelie. Het is in de gemeentewet opgenomen. Als er 30.000 halvegaren genoeg handtekeningen weten te verzamelen, dan moet er zo'n referendum komen. Daar kunnen wij niet meer omheen.”

“Tsja, dan zie ik nog maar één oplossing. Dan zal er op de een of andere manier een beperking moeten komen van de onderwerpen waarover een referendum kan worden gehouden.”

“Ga door, ik luister.”

“Ik bedoel dat zo'n regionale herindeling eigenlijk een veel te belangrijke zaak is voor een referendum. Je moet er dus voor zorgen dat alles wat belangrijk is voor zo'n referendum wordt uitgesloten. Laat voortaan alleen onbenullige kwesties via een referendum regelen. Moeten de honden aan de lijn? Krijgt lijn 14 een extra halte? Zullen er blauwe of groene straattegels worden neergelegd? Dat soort zaken, waaraan niemand zich een buil kan vallen.”

“Je pleit dus voor een soort vergunningenstelsel voor referenda. Dat lijkt mij een heel goed idee, maar wie beslist er dan of een kwestie onbenullig genoeg is om een referendum over te houden?”

“Maar suffie, dat ben jij! Dat ben jij zelf! Dat zijn de politici, bij wie het referendum wordt aangemeld. Dat is, Bram, nou het wezen van de democratie. De getrapte democratie: burgers de indruk geven dat zij het voor het zeggen hebben en dan zelf de beslissingen nemen.”

Het gezicht van de burgemeester klaarde op. “Neelie”, zei hij, “kom hier. Je bent goud.”