Autobiografie als straf

Günter de Bruyn: Das erzählte Ich. Uitg. S. Fischer, 74 blz. Prijs (geb.) ƒ 29,80.

Zijn alle autobiografen ijdel? Günter de Bruyn meent van niet. In zijn essay Das erzählte Ich beweert hij dat ook iemand die zichzelf weerzinwekkend vindt een autobiografie kan schrijven met als enige oogmerk de lezers in te peperen hoe weerzinwekkend hij wel niet is.

De vraag is alleen of een zelfbeschrijver echt zo te werk gaat. Eerder, lijkt mij, zal hij zijn lezersschare aan het verstand willen brengen waaròm hij zo'n weerzinwekkende schurk is geworden. Hij zal altijd proberen zichzelf te rechtvaardigen, ook al doet hij dat in de vorm van een biecht. Begrip en medeleven zoekt hij, geen straf of veroordeling - de autobiografie ís de straf. Een goede autobiograaf regisseert de emoties van het publiek en het eerste gevoel dat hij wil opwekken is sympathie. Wie aan zo'n onderneming begint móet wel een beetje ijdel zijn.

Een nog hogere dunk moet een autobiograaf van zichzelf hebben wanneer hij zijn persoonlijke lotgevallen in verband brengt met de tijd waarin hij heeft geleefd. Zo iemand verbeeldt zich dat zijn eigen leven model staat voor dat van anderen en dat hij een bijdrage aan de geschiedschrijving levert.

Ja, autobiografen zijn zelfingenomen types. Dat geldt zeker voor De Bruyn, die drie jaar geleden het verhaal over zijn jeugd in het Derde Rijk voltooide en die nu met het tweede deel bezig is dat over zijn mannenjaren in de DDR zal gaan. Tevreden blikt de in 1926 geboren Berlijner in Zwischenbilanz/Verschoven stad, het eerste deel, terug op zijn jongensfantasieën, zijn jongensvreugden en jongensweetgierigheid. Als puber belandt hij in de Wehrmacht en daar brengt hij, net als thuis, zijn dagen lezend door, of hij voert literaire gesprekken met zijn superieuren. De Wehrmacht was niet te vergelijken met de SS, suggereert de schrijver van de Zwischenbilanz. Wie bij de SS ging was een nazi, wie in de Wehrmacht terecht kwam een slachtoffer van de nazi's.

Een even zelfgenoegzame indruk maakt het essay. Daarin geeft De Bruyn hoog op van het soort autobiografie dat hij zelf vervaardigd heeft. De ideale zelfbeschrijver streeft, in zijn eigen woorden, naar 'de hele waarheid'. Hij is afstandelijk èn subjectief, oprecht èn selectief. Hij geeft geschiedenisles zonder schoolmeesterachtig te doen. Hij is een Aufklärer die van de lezer een verstandiger mens hoopt te maken omdat hij, ondanks alle in zijn leven verzamelde bewijzen van het tegendeel, nog steeds gelooft dat de mens oneindige geestelijke groeicapaciteiten bezit.

Als zo'n schrijver ziet Günter de Bruyn zichzelf het liefst, en zo ziet hij het graag bij de schrijvers die hij bewondert: Augustinus, Goethe, Jean Paul en Fontane. En als jongste loot aan de stam van grote autobiografen komt... hijzelf.

Niet voor niets draagt het essay de ondertitel Über Dichtung und Wahrheit in der Autobiographie. Dichtung en Wahrheit zijn in de ogen van Günter de Bruyn geen antagonistische grootheden. Integendeel: Dichtung - compositie, selectie en manipulatie - is een voorwaarde om de waarheid überhaupt op papier te krijgen. Zonder Dichtung, concluderen we uit Das erzählte Ich, is een autobiografie geen autobiografie, maar een willekeurige verzameling herinneringen en anekdotes.