Zorg overheerst bij overpeinzing EMU door bank en beurs

AMSTERDAM, 8 JUNI. Over de wenselijkheid van de gemeenschappelijke Europese munt viel geen kwaad woord, maar een lichte ongerustheid en zelfs een vleugje defaitisme overheerste gisteren op de NIBE-jaardag, waar kopstukken uit de bank- en effectensector de gevolgen van de muntunie schetsten. De banken zien wegvallende inkomsten, hoge aanloopkosten en oneerlijke concurrentie, de beurs vreest marginalisering door het ontstaan van machtige financiële centra in Parijs en Frankfurt.

Beursvoorzitter B. van Ittersum denkt dat het vlakke speelveld waarop de financiële markten elkaar straks beconcurreren ten koste kan gaan van de positie van het Damrak. Door het wegvallen van valutarisico's in de Europese Unie zullen Europese beleggers hun portefeuilles steeds pan-Europeser spreiden. Daardoor komt een groter deel van de Nederlandse aandelen in buitenlandse handen terecht, en de Amsterdamse Effectenbeurs zal moeite krijgen om de belangrijkste koersvorming op het Damrak te blijven laten plaatshebben. Daarbij komt volgens Van Ittersum dat de groeikansen voor veel buitenlandse beurzen groter zijn dan voor Amsterdam.

De marktwaarde van alle genoteerde aandelen op de Amsterdamse Effectenbeurs is groot in verhouding tot de omvang van de economie. De totale marktkapitalisatie van de Nederlandse aandelen bedraagt daardoor 6,7 procent van het Europese totaal, terwijl de Nederlandse economie maar 4,2 procent van die van Europa bedraagt. In Duitsland en Frankrijk is de verhouding tussen beurs en economie andersom, en zijn groeikansen dus sterker aanwezig. Parijs kan bovendien de spil worden van de beurshandel in het Middellandse-Zeegebied, Frankfurt de magneet voor Oost-Europa. In Scandinavië bestaat met 'Northquote' het vergevorderde plan voor bundeling van de effectenbeurzen daar. De positie van Londen is vrijwel onaantastbaar. Dat maakt Amsterdam, in de woorden van Van Ittersum, 'kwetsbaar'. Door meer besparingen richting Damrak te loodsen, en bijvoorbeeld ook nutsbedrijven tot een notering te verleiden, kan het Damrak misschien voldoende massa houden om niet weg te zakken naar de onderste regionen in Europa.

Voor de banken betekent de nieuwe situatie, in de woorden van ING-bestuurslid C. Maas, een “verbreding en verdieping” van de markt waarin zij opereren. Dat is positief, maar er staat aanvankelijk een groot aantal praktische nadelen tegenover. Becijferd is dat de technische overgang van de nationale naar de Europese munt de Europese banksector tussen de 16 en 20 miljard gulden gaat kosten, nog los van de kosten van de onzekerheid over de komst, het tijdschema en de samenstelling van de muntunie.

Th. Meijs, bestuurslid van ABN Amro, beklemtoonde dat de banken inkomsten zien opdrogen uit de (dan voormalige) Europese valutahandel en de bijbehorende geldmarktoperaties. Zonder dat hij de betrokken concurrentie bij naam noemde zei de ABN Amro-bankier dat een groot aantal (semi-) staatsbanken in Europa hun nationale of lokale markten overheersen (Duitsland) of agressief kunnen expanderen, waarna de staat opdraait voor voor de schade (Crédit Lyonnais). Schaalvergroting door grensoverschrijdende fusies of overnames is door de invloed van grote aandeelhouders (België) vaak onmogelijk gebleken.

En passant raakte Meys nog even aan een van de meest actuele vraagstukken van dit moment: welke methodiek krijgt de te vormen Europese Centrale Bank? Nederlandse banken krijgen over de verplichte kasreserve die zij aanhouden bij hun centrale bank rente vergoed die 'enkele honderden miljoenen guldens' per jaar bedraagt. De centrale banken van de twee vermoedelijk machtigste leden van de muntunie, Frankrijk en Duitsland, geven hun banken geen rentevergoeding.